Zes academische werkplaatsen ouderenzorg krijgen structurele financiering om onderzoek uit te voeren naar de verpleeghuiszorg, samen met de zorgpraktijk en het onderwijs. Via het Universitair Netwerk Ouderenzorg UMCG (UNO-UMCG) profiteren zorgorganisaties van de meest actuele én praktisch toepasbare wetenschappelijke inzichten op het gebied van de ouderenzorg.

Het UNO-UMCG is een samenwerkingsverband tussen het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en bijna twintig ouderenzorgorganisaties. Het netwerk is inmiddels zo groot dat het de drie noordelijke provincies en een groot deel van de provincie Overijssel beslaat. ‘Om de samenwerking met al deze partners werkbaar te houden en nog meer ten dienste te stellen aan de verbetering van kwaliteit van zorg, voerden we in 2018 een nieuwe organisatiestructuur in’, vertelt prof. dr. Sytse Zuidema, voorzitter van het UNO-UMCG en hoogleraar Ouderengeneeskunde en Dementie. ‘Het netwerk is nu opgebouwd rondom vijf themagroepen: zorgrelaties, pijn en comorbiditeit, probleemgedrag, medicatieveiligheid en werken in de 1e lijn. Elke themagroep bestaat uit onderzoekers, een implementatiedeskundige, medewerkers van aangesloten zorgorganisaties en een voorzitter uit de praktijk.’

Praktisch toepasbaar

Het UNO-UMCG streeft er altijd naar om onderzoeksresultaten om te zetten in praktisch toepasbare kennis of hulpmiddelen voor zorgverleners, die leiden tot concrete verbeteringen in de ouderenzorg. ‘De wisselwerking tussen wetenschap en praktijk maakt dat onderzoekers en zorgverleners door elkaars bril leren kijken. Op die manier kunnen ze samen praktijkrelevante vraagstukken vertalen in concrete onderzoeksprojecten’, vertelt Sytse.

Om een voorbeeld te noemen: zorgverleners hebben regelmatig te maken met probleemgedrag bij dementie. ‘Vanuit de praktijk ontstond het idee voor een gedragsvisite, waarbij alle inzichten over het gedrag van een cliënt in de praktijk worden verzameld. Zorgverleners, psycholoog en arts gaan dan samen met de familie om de tafel zitten om te bespreken welk gedrag zij zien en wat de oorzaak kan zijn. Deze gedragsvisites vinden al in een aantal verpleeghuizen plaats’, vertelt Sytse. Om ervoor te zorgen dat andere organisaties ook kunnen profiteren van deze kennis, buigt de themagroep probleemgedrag zich over een inventarisatie van de ervaringen tot nu toe. Ook wordt er een blauwdruk voor deze gedragsvisites ontwikkeld. Sytse: ‘Zo is de kennis die wij ontwikkelen niet alleen beschikbaar voor alle partners binnen het netwerk, maar ook voor iedereen daarbuiten.’

Hand in hand

Bij het UNO-UMCG werken twee implementatiedeskundigen, die gespecialiseerd zijn in het vertalen van wetenschappelijke kennis naar de praktijk. Zij sluiten altijd aan bij overleggen van de themagroepen. ‘Vaak wordt er eerst kennis ontwikkeld en vervolgens pas nagedacht over implementatie in de praktijk. Dan ben je zo acht jaar verder’, zegt Sytse. ‘Onderzoek en implementatie gaan bij ons hand in hand. Onze implementatiedeskundigen staan met één been in de wetenschap en met één been in de praktijk. Door ze al vanaf het begin van elk project te betrekken, kunnen we de door ons ontwikkelde kennis sneller in de praktijk brengen.’

‘Eén van de grootste voordelen van deze nieuwe organisatiestructuur is dat we voor deelname aan wetenschappelijk onderzoek niet meer hoeven leuren bij zorgorganisaties. Binnen elke themagroep wordt onderzoek gedaan, dus we vragen ze op voorhand aan te sluiten bij een themagroep die voor hen het meest relevant is.’ Ouderen zelf zijn in het UNO-UMCG vertegenwoordigd in een klankbord van cliëntvertegenwoordigers. ‘Deze cliënten zijn geworven via de centrale cliëntenraden van de aangesloten organisaties. Zij kijken mee met wetenschappelijke projectaanvragen en adviseren over de verdere implementatie van kennis die voortkomt uit wetenschappelijke projecten’, zegt Sytse.

Scholing en onderwijs maakt nadrukkelijk deel uit van die implementatie. Zo is er binnen de academische werkplaats een e-module ontwikkeld die zorgprofessionals opleidt in het gebruik van een hulpmiddel voor het vaststellen van pijn bij ouderen met dementie. Vaak kunnen zij zelf niet meer goed aangeven wat ze voelen. Een ander voorbeeld is een training op het gebied van morele dilemma’s. ‘Deze methode helpt zorgverleners de juiste afweging te maken als ze in hun werk tegen een moreel vraagstuk aanlopen’, legt Sytse uit. ‘Denk aan een cliënt met dementie die gewend is om ’s avonds een borrel te drinken. Mag hij of zij dat blijven doen als dit tot overlast voor andere cliënten leidt?’

Nieuwe inzichten

ZonMw bracht onlangs een bezoek aan het UNO-UMCG. ‘Het was erg leuk om tijdens dat bezoek te laten zien wat we in de afgelopen periode samen met onze partners hebben bereikt. Ook gaven we onze praktijkpartners volop gelegenheid om te vertellen over hoe zij de samenwerking ervaren’, vertelt Sytse.

Voor de hoogleraar zelf is de aansluiting bij de praktijk de belangrijkste toegevoegde waarde van het academische netwerk. ‘Je kunt als onderzoeker prachtige dingen ontwikkelen die voldoen aan alle wetenschappelijke standaarden, maar dat betekent niet automatisch dat het ook landt in de praktijk. De samenwerking in het netwerk geeft mij nieuwe inzichten en biedt ook mogelijkheden voor andere vormen van onderzoek, zoals actieonderzoek.’ Bij actieonderzoek wordt een vraagstuk in de praktijk onderzocht, samen met de mensen die er in hun dagelijkse werk mee te maken hebben. ‘Deze vorm van onderzoek stelt je in staat om een interventie te ontwikkelen die zo maximaal mogelijk aansluit bij de specifieke behoeften van een organisatie.’

Hoewel meer samenwerking met mbo- en hbo-instellingen zeker op het programma staat, richt het netwerk zich vooralsnog op scholing van huidige zorgprofessionals. ‘Door de enorme omvang van ons werkgebied kunnen we met veel verschillende onderwijsinstellingen samenwerken. We willen geen grote consortia oprichten. Daarom kijken we per project met welke hogeschool of mbo-instelling we een samenwerking aangaan. Zo houden we het overzichtelijk’, aldus Sytse.

Over de academische werkplaatsen ouderenzorg

Ouderen willen graag zo lang mogelijk thuis wonen en verzorgd worden in hun eigen omgeving. Voor sommige groepen kwetsbare ouderen lukt dat uiteindelijk niet en is opname in een verpleeghuis nodig.

De afgelopen jaren staat de kwaliteit van de verpleeghuiszorg onder druk en de urgentie om deze zorg te verbeteren is groot. Voor die verbeteringen is het ontwikkelen, verspreiden en toepassen van (wetenschappelijke) kennis over de verpleeghuiszorg van groot belang. Daarom heeft het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) ZonMw de opdracht gegeven om het programma Kennisinfrastructuur Academische Werkplaatsen Ouderenzorg vorm te geven.

In dit programma krijgen zes academische netwerken, verenigd in de Samenwerkende Academische Netwerken Ouderenzorg (SANO), structurele financiering voor het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek, samen met de zorgpraktijk en het onderwijs. Zo leveren zij een bijdrage aan het verbeteren van de kwaliteit van leven van de cliënt, de kwaliteit van zorg en de kwaliteit van het werk in de verpleeghuiszorg en thuiszorg.

ZonMw stimuleert gezondheidsonderzoek en zorginnovatie. ZonMw financiert gezondheidsonderzoek en stimuleert het gebruik van de ontwikkelde kennis - om daarmee de zorg en gezondheid te verbeteren. ZonMw heeft als hoofdopdrachtgevers het ministerie van VWS en NWO.

Colofon Auteur Dieuwke de Boer

© ZonMw 2019

Relevante pagina's

Relevante pagina's

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website