Het consortium Externaliserend probleemgedrag heeft onderzocht welke aanpak werkt bij kinderen en jongeren die zichzelf en hun omgeving met hun probleemgedrag veel overlast bezorgen. Met de resultaten kunnen hulpverleners jeugdigen veel effectiever helpen, aldus hoogleraar ontwikkelingspsychologie Bram Orobio de Castro (UvA).

De onderzoekresultaten voldoen zeker aan zijn verwachtingen, zegt consortiumleider Orobio de Castro. ‘We hebben precies gedaan wat we van plan waren en er komen heldere lessen uit.’

Een resultaat is de Beslisboom Externaliserende gedragsproblemen. Deze vereenvoudigt de gezamenlijke keuze voor een passende behandelinterventie voor ‘lastige’ kinderen en jongeren. Anders dan het aanvankelijke plan is dit geen app of website geworden. ‘Uit het gebruikersonderzoek bleek dat hulpverleners niet op zoek waren naar een app waar je informatie in stopt en een kant-en-klare interventie uitrolt. Ze willen vooral samen met de betrokkenen elke stap zetten naar de beste beslissing. Met “gesprekskaarten” lopen ze de beslisboom door. Ze vinden het prettig werken. Buurtteams overleggen zo samen met ouders over een behandeling. Volgens de hulpverleners komen ze nu tot betere keuzes.’ 

To the point

Bij de zorgverleningsorganisatie Top Groep experimenteerden directeur Vanja Ivanisevic en zijn trainers als praktijkpartner van het consortium met Denk & Doe Cool, een strak opgezet experiment om na te gaan hoe jongeren het beste leren hun boosheid te beheersen. De trainers moesten de opzet van de onderzoekers precies volgen om na te kunnen gaan welk type oefening het beste werkt. Dat riep soms weerstand op, vertelt Ivanisevic, maar werkte uiteindelijk prima. ‘Door die strikte tijdsplanning hebben we zowel de cognitieve- als de gedragsmodule goed kunnen toepassen. We kwamen sneller to the point. De jongeren konden daardoor veel meer oefenen.’

Forse problemen

‘We weten nu dat je in weinig sessies flink wat kunt bereiken,’ zegt Orobio de Castro. ‘Door de strakke planning konden veel jongeren een training volgen die anders niet die kans hadden gekregen. We schrokken ervan hoe groot de nood is. De meeste deelnemers zaten in het speciaal onderwijs of een residentiële behandeling en hadden forse problemen. Er was nog nooit systematisch een-op-een met hen geoefend om hun emoties in de hand te leren houden.’

Portret Bram
Bram Orobio de Castro
Portret Vanja
Vanja Ivanisevic
Hulpverleners komen nu samen met de betrokkenen stap voor stap tot betere behandelkeuzes

Effectiviteit per doelgroep

Zeker bij de jongeren met een licht verstandelijke beperking (LVB, een doelgroep van het experiment) blijkt het veel uit te maken wát je in die paar trainingssessies doet, aldus Orobio de Castro. ‘Dan gaat het zowel om bepaalde oefeningen als om het moment waarop je die doet. Snel aan de slag gaan is effectief.’ Bij de jongeren met een LVB slaan vooral de cognitieve-gedragsoefeningen aan, gericht op verandering van de gedachten. ‘Die uitkomst hadden we niet verwacht. We weten nu dus welk aspect van de module bij deze jongeren het beste werkt.’

Bij normaal begaafde jongeren varieerden de werkzame aspecten sterker, zegt Ivanisevic. Dat geldt ook voor hun motivatie om aan het probleemgedrag te werken, merkt Orobio de Castro op. ‘De behandelaar moet dan meer zelf nagaan wat bij een bepaalde jongere het beste aansluit.’

Betrokkenheid van het gezin

Het consortium heeft ook de betrokkenheid van gezinnen bij de behandeling in de residentiële zorg onderzocht. ‘Het lukt lang niet overal intensief gezinsgericht te werken,’ vertelt Orobio de Castro. Dat komt ook door praktische problemen, zoals de noodzakelijke reistijd. Het is wel erg jammer. De gezinsbetrokkenheid pakt namelijk positief uit voor de behandeling. ‘We hebben de jongeren na ontslag nog een jaar lang gevolgd. Ze deden het thuis beter naarmate er in de residentiële setting meer gezinsgericht was gewerkt.’ Het consortium hoopt met het ontwikkelde protocol Gezinsgericht Werken de gezinsbetrokkenheid te stimuleren.

 

‘Door de strakke opzet van de training kwamen we sneller to the point. De jongeren konden daardoor veel meer oefenen.’

Maatschappelijke impact

‘Onze trainers hebben geleerd dat werken volgens een strakke opzet en met minder sessies goede resultaten oplevert,’ zegt Ivanisevic over de deelname aan het experiment. Wat hem betreft blijft de samenwerking met het consortium bestaan. ‘We willen onderzoeken of we de training kunnen gebruiken voor andere schoolgaande kinderen die last hebben van agressieproblematiek. Scholen hebben op dit moment geen enkele aanpak te bieden die zo goed is ontvangen.’

Naar één keuzehulp

Orobio de Castro zou de beslisboom graag uitbreiden, vertelt hij. ‘Het blijkt een groot struikelblok dat er voor elk type probleem een aparte richtlijn is. Als dan bijvoorbeeld blijkt dat een jongere die is aangemeld vanwege vechtpartijen op school ook depressief is, hoort daar weer een andere richtlijn bij. We willen nu graag voor alle psychosociale problemen samen één keuzehulp ontwikkelen.’

In gesprek gaan

Het daadwerkelijk grootschalig gebruiken van de nieuwe kennis verloopt moeizamer dan hij had verwacht, zegt Orobio de Castro ‘Zelfs als een interventie kosteneffectief is, de cliënten laaiend enthousiast zijn en zowel hulpverleners als scholen deze graag willen gebruiken, blijven er allerlei barrières over bij gemeentes en ggz-instellingen.’ Hij pleit ervoor dat buurtteams, ouders en leerkrachten met de kennis uit de beslisboom in gesprek gaan met gemeenten over een tijdige behandeling voor hun kinderen of leerlingen. ‘Als je de problemen vroeg aanpakt - dat weten we uit buitenlands en Utrechts onderzoek - voorkom je echt veel leed en maatschappelijke kosten.’

 

Vindplaats van de resultaten

Het consortium Externaliserend probleemgedrag

De consortia Effectiviteit psychosociale interventies Jeugd

In de consortia Effectiviteit psychosociale interventies Jeugd slaan onderzoekers en jeugdhulpinstellingen nieuwe wegen in op 7 grotere inhoudelijke thema’s rond opgroeien en opvoeden. Het onderzoek levert kennis op over welke (delen van) interventies wanneer, bij wie en door wie het beste ingezet kunnen worden. Vertrekpunt daarbij zijn de kernelementen van bewezen effectieve interventies. De consortia geven met vernieuwend effectonderzoek antwoord op vragen als: Wat maakt eigenlijk dat een interventie werkt? Zijn er werkende factoren die in alle interventies zitten? Hoe kan de hulpverlener invloed uitoefenen op het effect? En: welke interventies of onderdelen daarvan zijn kosteneffectief? Het is een uitdaging om dit effectonderzoek goed vorm te geven. Elk consortium doet dit anders. De consortia werken samen, zodat hun aanpak wel goed op elkaar afgestemd is. Het onderzoek van de consortia moet de interventies verbeteren en professionals en gemeenten helpen een keuze te maken voor een effectieve aanpak. De uitkomsten maken een nog effectievere praktijk en betere hulp aan kinderen en gezinnen mogelijk.

 

Thema's consortia

Binnen de consortia Effectiviteit Psychosociale interventies Jeugd wordt er gewerkt op de volgende 7 thema's:

  • Druk gedrag en ADHD
  • Externaliserende gedragsproblemen en gedragsstoornissen
  • Sociale vaardigheden, onzekerheid en weerbaarheid
  • Zware opvoedproblemen en multiprobleemgezinnen
  • Opvoedonzekerheid – preventief en licht problematiek
  • Angst, depressie, stemmingsproblemen en andere internaliserende gedragsproblemen
  • Voorkomen en vroegtijdige aanpak van kindermishandeling

Wat zijn (potentieel werkzame) kernelementen?

In de consortia wordt onderzoek gedaan naar de kernelementen van interventies. Maar wat zijn dat, die kernelementen? Kernelementen zijn datgene wat een hulpverlener kan doen om gewenst gedrag bij jeugdigen of hun opvoeders aan te leren. Of ongewenst gedrag af te remmen. Dit wordt in de literatuur met verschillende namen aangeduid (o.a. componenten, elementen, ingrediënten, kernels en technieken). We kiezen voor de term 'kernelement’ omdat deze door de meeste consortia gebruikt wordt en goed aansluit bij de literatuur. Omdat vaak nog niet duidelijk is of het element ook echt werkt, zouden we eigenlijk van potentieel werkzame kernelementen moeten spreken. Maar dat is weer een hele mond vol. Een verzameling van deze kernelementen definieert een interventie. Bij het definiëren van een interventie spelen ook structuurelementen een rol. Zoals de volgorde, frequentie en intensiteit van de kernelementen. 

Het consortium

In de onderzoeksprojecten van het consortium Externaliserend probleemgedrag werken 3 universiteiten, 4 praktijkinstellingen, onderzoeksbureau PI Research en het NJi samen. Elke organisatie brengt daarbij eigen expertise in. Het NJi als beheerder van de Databank Effectieve Interventies (DEI) en de databank Richtlijnen, De Bascule en Pi Research vanuit hun ervaring met de effectieve behandeling van gedragsproblemen. Dat geldt ook voor Intermetzo en de Viersprong, organisaties die zich voornamelijk richten op de doelgroep met zwaardere gedragsproblemen. ’s Heerenloo brengt expertise in van de behandeling van jongeren met verstandelijke beperkingen, een belangrijk deel van de doelgroep. Universiteit Utrecht, Universiteit van Amsterdam en VUMC hebben ruime ervaring met onderzoek naar effectiviteit van behandelingen.

Het onderzoek

De onderzoekers hebben eerst bestaande onderzoeken over bewezen effectieve interventies onderzocht op gemeenschappelijke kenmerken en werkzame elementen. Effectiviteit bleek bepaald te worden door een combinatie van motiverende en cognitief-gedragstherapeutische elementen, samen met veel oefenen in het dagelijks leven. Hoe en met wie een feitelijke interventie het best vorm kan krijgen – bijvoorbeeld met ouders, school, kinderen zelf – hangt af van de leeftijd van het kind en de aard en ernst van de problematiek. Deze inzichten hebben de onderzoekers vertaald in een besluitvormingsinstrument. Deze ‘beslisboom’ helpt ouders en professionals samen stap voor stap te kiezen voor de meest aangewezen interventie bij een bepaalde problematiek. De beslisboom is verbeterd met gebruikersonderzoek met wijkteams en GGZ. Verder zijn in experimenten de effecten van cognitieve en gedragsmatige technieken getest bij jongeren met gedragsproblemen, van wie een deel met een licht verstandelijke beperking. Het gebruik van cognitieve technieken bleek vooral effectief bij deze laatste jongeren. Ten slotte is er een grote longitudinale studie gedaan naar gezinsgericht werken tijdens de residentiele behandeling. Hieruit bleek uit dat de jongeren na ontslag minder probleemgedrag vertoonden naarmate het gezin meer bij de behandeling was betrokken.  

 

Tekst Veronique Huijbregts. Fotografie header Studio Oostrum. Portret Bram Sannaz Moghaddam. Portret Vanja Martin de Bouter.

Gerelateerde links

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website