Januari 1986, Liselotte, de afdelingssecretaresse, verbindt een medewerker van een hospice door met een dringende, telefonische vraag. ‘Weet u zéker, kunt u gárándéren, dat de mevrouw die jullie vanmiddag gaan overplaatsen, ook echt binnen 14 dagen zal overlijden?’ Net uit de collegebanken, met de structuurformules van aminozuren netjes op een rij in mijn hoofd, zit ik in een frisse witte doktersjas, met de hoorn in mijn hand, met mijn mond vol tanden. Met geen woord, met nog geen letter, is het tijdens mijn studie gegaan over de laatste levensfase, over goede pijnstilling, over comfort, laat staan over de planning en organisatie van palliatieve zorg. Terwijl ik denk aan de patiënte met het uitgezaaide ovariumcarcinoom, blijf ik het antwoord schuldig. Ik verbaas me over de aard en de mogelijk diepere betekenis van de, in mijn ogen, wat bizarre vraag.

Waarschijnlijk was de faculteit - van de Universiteit van Amsterdam - waar ik studeerde, geen uitzondering met lacunes in onderwijs over palliatieve zorg. In de volgende, eerste maanden als zaalarts interne geneeskunde en ook later als neuroloog in opleiding, heb ik veel geleerd over palliatieve zorg van collega’s met meer ervaring, van maatschappelijk werkenden, geestelijk verzorgenden, vooral ook van verpleegkundigen en van patiënten zelf, met ALS, gevorderde MS, AIDS, of een andere afkorting met een sombere prognose. De afgelopen decennia is er in de palliatieve zorg in Nederland gelukkig veel verbeterd. Mede dankzij het programma ‘Palliantie. Meer dan zorg’ is met de inzet van velen uit de praktijk, in onderzoekscentra, bij ZonMw, de kennis op dit terrein enorm toegenomen.

Scheidend voorzitter van de vorige programmacommissie, Gerrit van der Wal, merkte in zijn afscheidscolumn op dat zogenoemde ‘curatieve’ en ‘palliatieve’ zorg naar elkaar toe groeien en geïntegreerd raken. Wijze woorden - hoe kan het ook anders -, die ik hem graag nazeg. Goede zorg voor mensen met een aandoening die levensbedreigend is of gekenmerkt wordt door grote kwetsbaarheid, is veelal meer gebaat bij inzichten uit het domein van palliatieve zorg. Het terrein van curatieve zorg blijkt in dergelijke situaties vaak moeilijk begaanbaar en bezaaid met ‘ogenschijnlijk-curatieve’ valkuilen en landmijnen.

De ambities van het programma Palliantie II, voor de periode 2021-2026, zijn groot: goed functionerende individuele zorgplannen, betrouwbare cijfers (inclusief kwaliteitsindicatoren), betere bereikbaarheid en wendbaarheid van de zorgpraktijk, inzicht in de effectiviteit van nieuwe werkwijzen en de effecten van nieuwe vormen van (transmurale) bekostiging, grotere bekendheid van palliatieve zorg bij alle betrokkenen en sterkere verankering van inzichten uit de palliatieve zorg bij zowel initiële als vervolgopleidingen.

Waar in de zorgpraktijk geldt ‘niet alles wat kan, hoeft’, is het voor Palliantie II misschien ook van belang om te onderkennen dat ‘niet alles wat men wenst, kan’. Op korte termijn is het daarom belangrijk om met elkaar vast te stellen wat de onderwerpen zijn die urgentie paren aan een realistisch uitzicht op een zinvol antwoord, binnen een redelijke termijn. Vragen zoals die van de hospicemedewerker uit 1986, zullen, ook na afronding van Palliantie II, onbeantwoord blijven. Dat is geen schande.

Pim van Gool, voorzitter programmacommissie Palliantie II

Meer informatie

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website