Eén op de 5 jeugdigen heeft last van depressieve gevoelens en nog eens 1 op de 5 van angst. Die klachten hinderen een normale ontwikkeling en leiden vaak tot slechte schoolprestaties en sociaal isolement. Hoe eerder je ze aanpakt, hoe beter het resultaat, zegt Ireen de Graaf van het Trimbos instituut, waarnemend projectleider van het consortium Angst en depressie bij jongeren.

Van jeugdigen met angst- en depressieklachten heb je vaak weinig last, vertelt De Graaf. ‘Ze internaliseren hun klachten. Ze vragen geen aandacht met lastig gedrag, zeggen weinig, vermijden beangstigende situaties, maken weinig vrienden. Daarom vallen ze niet op. Maar ze hebben wel degelijk hulp nodig. Want ze kunnen zich ongemerkt heel ongelukkig voelen. Als er niets gebeurt, worden hun klachten vaak alleen maar erger. Hoe eerder je erbij bent, hoe groter de kans dat de klachten verminderen.

Black box

Gelukkig zijn er veel effectieve interventies beschikbaar. Maar hulpverleners tasten vaak in het duister over de vraag welke elementen maken dat de interventies werken. Tot op heden heeft effectonderzoek namelijk meestal betrekking op totale interventies. ‘Daarmee blijft de inhoud een soort black box,’ zegt De Graaf. ‘Nu gaan we kijken welke onderdelen maken dat een interventie werkt.’ Met meer informatie over werkzame elementen en wanneer en bij wie deze het beste ingezet kunnen worden, kunnen hulpverleners doelgerichter werken. Het gaat om een nieuwe manier van onderzoek doen, benadrukt De Graaf.

portret Ireen de Graaf

Overlap interventies

Angst en depressie zijn twee aparte stoornissen, maar de klachten hangen ook nauw samen. De meeste bestaande interventies zijn gebaseerd op de cognitieve gedragstherapie (CGT), die voor deze klachten bewezen effectief is. Er is veel overlap tussen interventies, in aanpak en doelgroepen. Analyse van de handleidingen op potentieel werkzame elementen maakt een eerste schifting mogelijk. ‘Als eerste stap bekijken we met bestaand onderzoek welke elementen voor komen in de meest effectieve behandelingen. Enkele van de werkzame elementen vergelijken we in randomised controlled trials. Zo krijgen we nog meer duidelijkheid over hun werkzaamheid. De angsttrials gaan bijvoorbeeld over vragen als: welke vorm van exposure (het kind geleidelijk blootstellen aan waar het bang voor is, red.) werkt het beste? Heeft de combinatie van exposure met cognitieve technieken of ontspanningsoefeningen meerwaarde?’

Modulaire aanpak

Het consortium wil alle onderzoekskennis gebruiken om een modulaire aanpak van werkzame elementen te ontwikkelen. ‘Je stelt dan een behandeling samen met verschillende werkzame elementen of modules en ontwikkelt zo in zekere zin een interventie op maat,’ zegt De Graaf. ‘Welke modules je aanbiedt en in welke volgorde, kies je met behulp van een beslisboom. Deze geeft bijvoorbeeld aan welke aanpak je kunt kiezen bij lichte, middelmatige en zware problemen en bij verschillende soorten problematiek. De hulpverlener houdt met behulp van een korte vragenlijst bij of het kind of de jongere voldoende baat heeft bij de gekozen module. Op basis daarvan kan hij beslissen om door te gaan of juist over te schakelen op een andere module.’

Werkblad, filmpje, folder?

Voor de presentatie en het toegankelijk maken van de resultaten denkt De Graaf aan gebruik van werkbladen, filmpjes of folders, in het geval van angstklachten bijvoorbeeld over welke vorm van exposure het best gekozen kan worden. De consortia zullen hun plannen en ideeën over het toegankelijk maken en presenteren van de onderzoeksresultaten onderling en met de gebruikers moeten afstemmen, zegt De Graaf. ‘We willen allemaal dat medewerkers in de GGZ, op scholen en bij de gemeenten uiteindelijk straks de beste aanpak van een bepaald probleem kiezen’.

Het consortium Angst en depressie

De uitdaging

Met meer kennis kan de steun en hulp aan kinderen met probleemgedrag en hun gezinnen effectiever worden. Voor deze kennisvergroting is het programma Effectief werken in de jeugdsector van ZonMw opgezet. Onderzoek in de afgelopen 10 jaar heeft veel inzicht opgeleverd in de werkzaamheid van afzonderlijke interventies. De resultaten zijn gebundeld in de publicatie ‘En… werkt het? 10 jaar onderzoek naar zorg voor de jeugd’. De Databank Effectieve Jeugdinterventies van het NJi bevat nu meer dan 220 interventies voor hulp bij opgroeien en opvoeden. In de praktijk worden er nog tal van varianten uitgevoerd. Alle interventies afzonderlijk op effectiviteit onderzoeken is niet haalbaar en niet zinvol. Bovendien: vaak laten de randvoorwaarden van geld en tijd niet toe dat een bewezen effectieve interventie precies zo wordt uitgevoerd als deze is bedoeld en onderzocht. Dit gegeven én de huidige ontwikkelingen in de jeugdhulp maken het des te urgenter dat er meer duidelijkheid komt over welke onderdelen er toe doen, bij welk probleem, op welke manier en in welke volgorde.

De consortia van het ZonMw-programma Effectief werken in de jeugdsector 

In de 6 consortia van het ZonMw-programma Effectief werken in de jeugdsector slaan onderzoekers en praktijkinstellingen nieuwe wegen in. In vervolg op eerder onderzoek naar de effectiviteit van individuele interventies, staat nu een aantal grotere inhoudelijke thema’s rond opgroeien en opvoeden centraal. Het totale traject moet kennis opleveren over welke (delen van) interventies wanneer, bij wie en door wie het beste ingezet kunnen worden. Vertrekpunt daarbij zijn de werkzame elementen van bewezen effectieve interventies. De uitkomsten moeten bijdragen aan een nog effectievere praktijk en betere hulp voor kinderen en gezinnen. Alle consortia hebben een voorstudie uitgevoerd. In een kennisoverzicht hebben ze de actuele stand van zaken van effectiviteitsonderzoek op de 6 thema’s beschreven. Dit overzicht is het uitgangspunt voor het lopende vervolgonderzoek.

Het consortium Angst en depressie bij jongeren

Het consortium Angst en depressie bij jongeren In dit consortium werken onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen, Universiteit Utrecht en de Radboud Universiteit samen met het Trimbos instituut en het NJi. Het onderzoek naar angst vindt plaats bij de Rijksuniversiteit Groningen, het onderzoek naar depressie bij de Universiteit Utrecht en het Trimbos insituut. De projectleiding berust bij de Radboud Universiteit. Samenwerkingspartners zijn de praktijkinstellingen Spirit in Amsterdam, Accare in Groningen, Lokalis in Utrecht, GGZ Oost Brabant en Pro Persona. Met de eigenaren van de geselecteerde interventies is uitwisseling en overleg.

Het onderzoek

Uit de Databank Effectieve Jeugdinterventies (DEI) van het NJi zijn 21 interventies voor angst, 19 voor depressie en 18 voor angst en depressie samen geselecteerd. Het opvragen van de handleidingen van deze interventies levert een eerste schifting op, omdat soms blijkt dat een interventie niet meer wordt gebruikt. Aan de hand van een taxonomie (scoringslijst met potentieel werkzame elementen van interventies) die is samengesteld op basis van theorie en internationale onderzoeksliteratuur analyseren de onderzoekers de werkzame elementen. Ze coderen alle interventiehandleidingen op contextuele, structurele en inhoudelijke kenmerken, zoals doelgroep, doel, theorie, vorm, duur, frequentie, sequentie, technieken en dosering. De belangrijkste werkzame elementen testen ze in 3 microtrials, om te kijken onder welke omstandigheden en voor welke jongeren welke elementen het beste resultaat opleveren. De deelnemers aan deze microtrials werven ze bij scholen en ggz- en jeugdzorgorganisaties. In klankbordgroepen denken hulpverleners, medewerkers van gemeenten en (vertegenwoordigers van) cliënten mee over deze trials en over de wijze waarop ze willen dat de informatie uit de onderzoeken wordt gepresenteerd.

Samenwerking met andere consortia

Naast het consortium Angst en depressie houden ook andere consortia zich met (aspecten van) angst bezig. Het consortium Sociale vaardigheden onderzoekt bijvoorbeeld sociale angst en spreekangst. Bij externaliserende gedragsproblemen kunnen angst en depressie eveneens een rol spelen. En angstige en depressieve jongeren kunnen ook boos en prikkelbaar zijn. Dat vraagt om afstemming, zodat de onderzoeken elkaar aanvullen maar niet overlappen. Elk consortium heeft een aandachtsfunctionaris voor de implementatie van de onderzoeksresultaten. Tijdens de onderzoeksperiode vindt al afstemming plaats over eventuele gezamenlijke conclusies en implementatieproducten. Het NJi en het Trimbos instituut raadplegen de praktijkinstellingen over hun wensen en behoeften op dit gebied en monitoren de implementatieactiviteiten van alle consortia.

Meer weten?

Uit: ZonMw-programma Effectief werken in de jeugdsector - Consortia Effectiviteit Psychosociale interventies Jeugd

Bekijk alle publicaties over de consortia

Tekst Veronique Huijbregts. Fotografie header Shutterstock. Portret Martin de Bouter.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website