Jongeren die pesten, dingen vernielen en agressief zijn, bezorgen de samenleving veel schade. Dit externaliserende probleemgedrag is goed aan te pakken. Er zijn ook al veel interventies voor ontwikkeld. Een beslis-app moet hulpverleners en gemeenteambtenaren stap voor stap leiden naar de meest effectieve keuze, vertelt hoogleraar ontwikkelingspsychologie Bram Orobio de Castro.

‘Externaliserend probleemgedrag is de meest voorkomende grond voor aanmelding in de jeugdzorg en jeugd-ggz, en gaat zelden vanzelf over,’ zegt De Castro, projectleider van het consortium Externaliserend probleemgedrag bij jongeren. ‘Denk aan treiteren en pesten, spullen kapot maken, liegen en bedriegen, geweld met wapens of seksueel geweld. Volgens een betrouwbare schatting maakt 5-6% van de jongeren zich aan dergelijk gedrag schuldig als je de lichtere uitingsvormen meerekent, en een kleine 1% als je alleen kijkt naar zware vormen.’

Steeds hogere kosten

Dit probleemgedrag kost de maatschappij veel geld aan bijvoorbeeld politie- en justitieoptreden en residentiële behandelingen. Niet in de laatste plaats schaadt het de kinderen zelf en hun slachtoffers. Het leidt vaak tot schooluitval, werkloosheid en dure behandelingen op latere leeftijd. Dat laten grote studies zien waarbij kinderen tot ver in de volwassenheid zijn gevolgd. ‘We weten ook dat we bij jonge kinderen het meest effectief iets kunnen doen. Alleen wacht de maatschappij veelal totdat de problemen al heel erg zijn.’

portret bram orobio de castro

Helpen kiezen

De Databank Effectieve Jeugdinterventies (DEI) van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) bevat nu ruim 220 interventies voor kinderen en jongeren, waarvan een aanzienlijk aantal voor kinderen met externaliserend probleemgedrag. Deze hoeveelheid en de inrichting van de DEI-website maken de interventiekeuze voor gemeentes en wijkteams moeilijk. En door bezuinigingen is er minder geld voor hulp beschikbaar. Effectieve keuzes kunnen maken is dus dringend nodig, zegt De Castro. ‘Nu hebben we die keuzes te weinig in beeld en gaat het budget ten dele op aan ongefundeerde keuzes. We gooien dus ook nog eens geld weg.’

Stap voor stap

De Castro’s consortium wil met de wetenschappelijke kennis die de onderzoekers verzamelen met een combinatie van onderzoeksvormen uitzoeken welke interventie het effectiefst is voor welke vorm van externaliserend probleemgedrag. Die kennis moet uiteindelijk leiden tot een beslisboom: een handig besluitvormingsinstrument dat de gebruiker stap voor stap helpt de best passende interventie te kiezen om de specifieke problemen van dit kind en zijn gezin aan te pakken. De Castro: ‘Een buurtteammedewerker moet het instrument ter plekke kunnen raadplegen. Het liefst maken we er een app van.’

Onderbouwde keuzes

De Castro wil ook tot duidelijkheid komen over welke interventies geen zin hebben. ‘Veel gemeentes denken dat je het gedrag van deze jongeren met 3 huisbezoeken weer op de rit kunt krijgen. Die kiezen dan voor een aanpak die helemaal niet onderbouwd is. Terwijl we met de juiste interventie het leven van kinderen op de lange termijn een gunstiger draai kunnen geven. Het maakt echt uit waar je voor kiest.’

Het consortium Externaliserend probleemgedrag bij jongeren

De uitdaging

Met meer kennis kan de steun en hulp aan kinderen met probleemgedrag en hun gezinnen effectiever worden. Voor deze kennisvergroting is het programma Effectief werken in de jeugdsector van ZonMw opgezet. Onderzoek in de afgelopen 10 jaar heeft veel inzicht opgeleverd in de werkzaamheid van afzonderlijke interventies. De resultaten zijn gebundeld in de publicatie ‘En… werkt het? 10 jaar onderzoek naar zorg voor de jeugd’. De Databank Effectieve Jeugdinterventies van het NJi bevat nu meer dan 220 interventies voor hulp bij opgroeien en opvoeden. In de praktijk worden er nog tal van varianten uitgevoerd. Alle interventies afzonderlijk op effectiviteit onderzoeken is niet haalbaar en niet zinvol. Bovendien: vaak laten de randvoorwaarden van geld en tijd niet toe dat een bewezen effectieve interventie precies zo wordt uitgevoerd als deze is bedoeld en onderzocht. Dit gegeven én de huidige ontwikkelingen in de jeugdhulp maken het des te urgenter dat er meer duidelijkheid komt over welke onderdelen er toe doen, bij welk probleem, op welke manier en in welke volgorde.

De consortia van het ZonMw-programma Effectief werken in de jeugdsector 

In de 6 consortia van het ZonMw-programma Effectief werken in de jeugdsector slaan onderzoekers en praktijkinstellingen nieuwe wegen in. In vervolg op eerder onderzoek naar de effectiviteit van individuele interventies, staat nu een aantal grotere inhoudelijke thema’s rond opgroeien en opvoeden centraal. Het totale traject moet kennis opleveren over welke (delen van) interventies wanneer, bij wie en door wie het beste ingezet kunnen worden. Vertrekpunt daarbij zijn de werkzame elementen van bewezen effectieve interventies. De uitkomsten moeten bijdragen aan een nog effectievere praktijk en betere hulp voor kinderen en gezinnen. Alle consortia hebben een voorstudie uitgevoerd. In een kennisoverzicht hebben ze de actuele stand van zaken van effectiviteitsonderzoek op de 6 thema’s beschreven. Dit overzicht is het uitgangspunt voor het lopende vervolgonderzoek.

Het consortium Externaliserend probleemgedrag bij jongeren

In de onderzoeksprojecten van het consortium Externaliserend probleemgedrag bij jongeren werken 3 universiteiten, 4 praktijkinstellingen, onderzoeksbureau PI Research en het NJi samen. Elke organisatie brengt daarbij eigen expertise in. Het NJi als beheerder van de DEI en de databank Richtlijnen, De Bascule en Pi Research vanuit hun ervaring met de effectieve behandeling van gedragsproblemen, evenals Intermetzo en de Viersprong. Deze laatste 2 organisaties richten zich voornamelijk op de zwaardere doelgroep. ’s Heerenloo brengt expertise in van de behandeling van jongeren met verstandelijke beperkingen, een belangrijk deel van de doelgroep, en Universiteit Utrecht, Universiteit van Amsterdam en VUMC hebben ruime ervaring met onderzoek naar effectiviteit van behandelingen.

Het onderzoek

De onderzoekers verrichten eerst een meta-analyse van bestaande onderzoeken over bewezen effectieve interventies. Ze onderzoeken hiervan de gemeenschappelijke kenmerken en werkzame elementen. Ze letten ook op de elementen waarvoor onderbouwing ontbreekt. Zo komen de werkzame elementen van interventies steeds duidelijker in beeld. Met deze kennis brengen de onderzoekers lacunes en mogelijkheden tot verbeteringen bij interventies in kaart, en gaan ze na welke interventie voor welke gedragsproblematiek het meest geëigend is. Hun inzichten vertalen ze in een besluitvormingsinstrument dat stap voor stap de weg wijst naar de preferente interventie bij een bepaalde problematiek. Deze ‘beslisboom’ verfijnen en verbeteren ze in intensieve overleggen met alle consortiumleden. Het consortium neemt drie onderzoeksvragen apart onder de loep: de beste interventie voor het onder controle krijgen van boosheid, effectieve interventies voor een snel en goed verloop van de overgang vanuit de residentiële zorg naar huis, en (belemmeringen bij) het gebruik van de beslisboom.

Afstemming tussen de 6 consortia

De 6 consortia die vanuit het programma Effectief werken in de jeugdsector van ZonMw aan het werk zijn, onderzoeken ieder een deelaspect van de zorg aan jongeren. Zij overleggen met elkaar op gezamenlijke bijeenkomsten. Samenwerking is er ook doordat onderzoekers soms voor meerdere consortia werken. Projectleider Bram Orobio de Castro van het consortium Externaliserend probleemgedrag bij jongeren pleit voor nog meer afstemming, om de verschillende uitkomsten van de consortia in één beslisboom op te kunnen nemen. ZonMw en de kennisinstituten die bij de consortia betrokken zijn, zouden hierbij het voortouw kunnen nemen.

Meer weten?

Uit: ZonMw-programma Effectief werken in de jeugdsector - Consortia Effectiviteit Psychosociale interventies Jeugd

Bekijk alle publicaties over de consortia

Tekst Veronique Huijbregts. Fotografie header Shutterstock. Portret Martin de Bouter.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website