Kinderen sociaal vaardiger maken: leerkrachten, kindercoaches, hulpverleners, jeugdgezondheidszorg en het schoolmaatschappelijk werk kunnen er druk mee zijn. Om hun hulp effectiever te maken, werkt het consortium Sociale vaardigheden aan selectie en versterking van interventies en de ontwikkeling van een bruikbaar sjabloon.

Gebrekkige sociale vaardigheden kunnen veel verschillende vormen aannemen, zegt projectleider Minne Fekkes. Maar in alle gevallen kampt een kind met barrières in het sociale leven. Het is bijvoorbeeld te verlegen om vriendjes te maken, durft niet te praten in een groep, heeft faalangst of laat makkelijk met zich sollen. ‘Het is lichtere problematiek, maar heel naar voor het leven van een kind.’ En het kan gepaard gaan met slechte schoolprestaties.

Maatschappelijk functioneren

Onderzoek laat zien dat kinderen door betere sociale vaardigheden beter maatschappelijk gaan functioneren. Om dat te meten gebruiken onderzoekers onder andere de indicatoren ‘schoolcarrière’ en ‘het vinden van werk’. Bij risicojongeren zie je een duidelijk effect van sociale vaardigheidstrainingen op bijvoorbeeld het verminderen van delinquentie, vertelt Fekkes. Dat scheelt maatschappelijke kosten. De vraag of zulke verschillen het gebruik van interventies op het terrein van sociale vaardigheden kosteneffectief maken, is één van de onderzoeksvragen in het consortium.

‘Het is lichtere problematiek, maar heel naar voor het leven van een kind’
portret minne fekkes

Theoretisch goed onderbouwd

Fekkes onderscheidt meerdere subdoelgroepen van interventies op het terrein van sociale vaardigheden, zoals jongeren met spreekangst, faalangst, een gebrek aan weerbaarheid, en met een licht verstandelijke beperking. Voor hulpverleners is het cruciaal te weten bij welke subdoelgroep en welk probleem welke interventie het beste past. ‘We willen dat bepalen voor spreekangst, faalangst en prosociaal gedrag' zegt Fekkes. De aanduiding ‘effectief’ van de Databank Effectieve Interventies (DEI) bij het NJi geeft nu onvoldoende informatie om te bepalen bij welke subdoelgroep en bij welk probleem welke interventie – of delen daarvan – het beste past.

Ambitieuze opzet

De onderzoekers hebben in overleg met andere consortia een taxonomie of lijst van potentieel werkzame elementen opgesteld. Deze lijst gaat het consortium nader onderbouwen door 200 internationale handleidingen van effectief gebleken interventies te analyseren. Deze opzet is grootschalig en ambitieus, beaamt Fekkes. Het is een pittige klus om alle internationale handleidingen te verzamelen. Maar ze stromen binnen. De wetenschap dat hun interventie meedoet in de meta-analyse, motiveert ontwikkelaars en interventie-eigenaren om hun handleiding toe te sturen.

Sjabloon

Het consortium wil met de onderzoekskennis ook een modelinterventie of sjabloon samenstellen. Veel hulpverleners zetten nu hun eigen trainingen in elkaar, zegt Fekkes. ‘Ze willen bijvoorbeeld iets aan weerbaarheid doen, maar ook aan prosociaal gedrag. Ze plukken dan overal wat oefeningen vandaan. Dan wil je als hulpverlener graag weten welke elementen onontbeerlijk zijn en welke niet goed werken. Zoals: de meest effectieve techniek, het juiste aantal sessies, kinderen het liefst in of juist buiten de klas trainen, feedback geven. Zo’n sjabloon gaan we opstellen voor weerbaarheid, spreekangst en faalangst.’ Fekkes verwacht dat ook ontwikkelaars van nieuwe interventies deze sjablonen als ‘onderlegger’ zullen gebruiken.

Het consortium Sociale vaardigheden

De uitdaging

Met meer kennis kan de steun en hulp aan kinderen met probleemgedrag en hun gezinnen effectiever worden. Voor deze kennisvergroting is het programma Effectief werken in de jeugdsector van ZonMw opgezet. Onderzoek in de afgelopen 10 jaar heeft veel inzicht opgeleverd in de werkzaamheid van afzonderlijke interventies. De resultaten zijn gebundeld in de publicatie ‘En… werkt het? 10 jaar onderzoek naar zorg voor de jeugd’. De Databank Effectieve Jeugdinterventies van het NJi bevat nu meer dan 220 interventies voor hulp bij opgroeien en opvoeden. In de praktijk worden er nog tal van varianten uitgevoerd. Alle interventies afzonderlijk op effectiviteit onderzoeken is niet haalbaar en niet zinvol. Bovendien: vaak laten de randvoorwaarden van geld en tijd niet toe dat een bewezen effectieve interventie precies zo wordt uitgevoerd als deze is bedoeld en onderzocht. Dit gegeven én de huidige ontwikkelingen in de jeugdhulp maken het des te urgenter dat er meer duidelijkheid komt over welke onderdelen er toe doen, bij welk probleem, op welke manier en in welke volgorde.

De consortia van het ZonMw-programma Effectief werken in de jeugdsector 

In de 6 consortia van het ZonMw-programma Effectief werken in de jeugdsector slaan onderzoekers en praktijkinstellingen nieuwe wegen in. In vervolg op eerder onderzoek naar de effectiviteit van individuele interventies, staat nu een aantal grotere inhoudelijke thema’s rond opgroeien en opvoeden centraal. Het totale traject moet kennis opleveren over welke (delen van) interventies wanneer, bij wie en door wie het beste ingezet kunnen worden. Vertrekpunt daarbij zijn de werkzame elementen van bewezen effectieve interventies. De uitkomsten moeten bijdragen aan een nog effectievere praktijk en betere hulp voor kinderen en gezinnen. Alle consortia hebben een voorstudie uitgevoerd. In een kennisoverzicht hebben ze de actuele stand van zaken van effectiviteitsonderzoek op de 6 thema’s beschreven. Dit overzicht is het uitgangspunt voor het lopende vervolgonderzoek.

Het consortium Sociale vaardigheden

Het consortium Sociale vaardigheden Het consortium bestaat uit een groep wetenschappers van TNO Child health, UvA, Radboud Universiteit, Universiteit Leiden, het NJi en NCJ en medewerkers van praktijkinstellingen, zoals Schoolformaat en Centrum 1622. Deze verscheidenheid aan organisaties garandeert een inbreng vanuit wetenschappelijk en praktisch perspectief. Wetenschappers werken in overleggen aan verbetering van de lijst met werkzame elementen. De uitvoerende organisaties werken mee aan de organisatie en uitvoering van microtrials voor het testen van werkzame elementen bij weerbaarheid, spreekangst en faalangst. Hun praktijkkennis is van belang voor een goede praktische uitvoering van de interventies. Brechtje de Mooij is aio op het project.

Het onderzoek

Het onderzoek van het consortium Sociale vaardigheden bestaat uit 5 pijlers. De onderzoekers hebben, in afstemming met de andere consortia, een taxonomie van werkzame elementen opgesteld, die is toegespitst op sociale vaardigheden en gebaseerd op internationale literatuur en analyse van de Nederlandse interventies. Hiermee analyseren ze bestaande internationale onderzoeken naar interventies, in combinatie met de interventiehandleidingen. Zo achterhalen ze welke werkzame elementen samengaan met grote en minder grote effecten. In 3 microtrials worden steeds 2 veelgebruikte werkzame elementen uit Nederlandse interventies voor de bestrijding van spreekangst, faalangst en prosociaal gedrag met elkaar vergeleken, om te kijken welk element het beste scoort. De onderzoekers koppelen en analyseren ook de data van bestaande onderzoeken in Nederland. Zo zoeken ze meer duidelijkheid over de werkzaamheid van andere factoren, bijvoorbeeld of kinderen met een tekort aan sociale vaardigheden meer baat hebben bij een interventie in de klas of een training in een aparte groep. Alle gevonden informatie samen geeft een sterke indicatie om de 32 interventies die in de DEI staan te ordenen op werkzaamheid. Ten slotte kan veldraadpleging door interviews met eigenaren en gebruikers van interventies meer informatie geven over de bevorderende en belemmerende factoren daarvan. Alle informatie tezamen vormt ook de basis voor de modelinterventie.

Samenwerking met andere consortia

Het consortium Sociale vaardigheden werkt op meerdere niveaus samen met de andere 5 consortia. Zo participeren hoogleraren uit het consortium Sociale vaardigheden ook in andere consortia. Dat stimuleert uitwisseling en kruisbestuiving. Zo is bijvoorbeeld de lijst van werkzame elementen afgestemd en aangescherpt in besprekingen met andere consortia. De promovendi van de consortia hebben eveneens overleg. Ook bij uitvoering van de microtrials is er sprake van afstemming. Zo doet het consortium Angst en depressie ook een microtrial rondom spreekangst, maar met een andere invalshoek. Afstemming zorgt ervoor dat deze microtrials goed op elkaar aansluiten.

Meer weten?

Uit: ZonMw-programma Effectief werken in de jeugdsector - Consortia Effectiviteit Psychosociale interventies Jeugd

Bekijk alle publicaties over de consortia

Tekst Veronique Huijbregts. Fotografie header Shutterstock. Portret Martin de Bouter.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website