Zorgen dat angstige kinderen en jongeren hun dagelijks leven en hun gewone ontwikkeling weer zo snel mogelijk oppakken. Dat wil klinisch psycholoog en psychotherapeut Mariken van Onna van Karakter, centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie. Daarom werkt haar organisatie mee het onderzoek van het consortium Angst en depressie bij jongeren.

‘De kinderen en jongeren die bij Karakter komen, zijn vastgelopen in hun angst. Eerdere hulp heeft niet gewerkt’, vertelt Van Onna. De angsten verstoren hun leven en dat van hun gezinsleden. De jongeren verzuimen veelal van school en missen in hun sociale leven allerlei belangrijke ervaringen met leeftijdgenoten. Hoe korter zo’n situatie duurt, hoe beter het is, zegt Van Onna. ‘We moeten dus zo effectief mogelijk behandelen. Daarom doen we mee aan het onderzoek. Ik vind het ook leuk om zo met mijn vak bezig te zijn.’

Intensief oefenen

Het is bekend dat de angst uitdooft door te oefenen met de angstaanjagende situaties, vervolgt ze. De patiënt ervaart dan dat de angstige verwachtingen niet worden waargemaakt. De huidige behandelprotocollen voor kinderen en jongeren bevatten uitleg, gedachtenuitdaging en blootstelling aan de angst (‘exposure’) in de verbeelding. ‘Deze behandeling is effectief’, aldus Van Onna. ‘Alleen weten we nu nog niet zo goed wat de meest werkzame elementen zijn.’ 
 

‘We vermoeden dat het nog beter werkt kinderen in werkelijkheid bloot te stellen aan de angstige situatie’
Portret Kim van Weeren

De angst opzoeken

Ze vervolgt: ‘We vermoeden dat het nog beter werkt kinderen in werkelijkheid (‘in vivo’) bloot te stellen aan de angstige situatie. Daar zijn uit de behandeling van volwassenen aanwijzingen voor, maar het is bij kinderen nog niet geprobeerd.’ In het onderzoek laat de behandelaar de jeugdige patiënt zowel in de verbeelding als in werkelijkheid de angstaanjagende situaties opzoeken: exposure. De intensiteit van de behandelingen ligt ook een stuk hoger dan in de gebruikelijke behandeling. Een ander verschil is dat de jongere en de therapeut tijdens de sessies meer met exposure gaan oefenen. 

Doorzettingsvermogen

Van Onna begeleidt de behandelaars als supervisor. Ze is daarvoor getraind en traint op haar beurt de therapeuten om de behandeling te geven. ‘Ze kunnen ook bij mij terecht om te praten over wat het met henzelf doet. Het klinkt simpel, maar een goede uitvoering vraagt veel vaardigheden en doorzettingsvermogen.’
 

'Door zo’n geconcentreerde behandeling komt het kind meer in de flow om de angst aan te pakken’

Ideale uitkomst

Van Onna hoopt als “meest ideale onderzoeksuitkomst” dat 5 tot 6 weken intensief behandelen voor jongeren met angststoornissen het effectiefst is. Daarna begint dan een geleidelijke afbouw. ‘Ik vermoed dat het kind door zo’n geconcentreerde behandeling meer in de flow komt om de angst aan te pakken. Ik hoop dat we zo ervoor kunnen zorgen dat de jongere sneller van zijn angst af is.’ Daardoor is zo’n intensieve behandeling uiteindelijk zeker kosteneffectief, denkt Van Onna. ‘Volgens mij kan het totale aantal therapiesessies omlaag, kan het kind weer eerder gewoon naar school en heeft het minder zorg nodig van huisartsen of medisch specialisten. In dat opzicht is er veel winst te behalen.’ Met de onderzoeksgegevens hopen zij en de andere zorgorganisaties die aan het onderzoek meedoen de gemeentes die de zorg moeten inkopen, daarvan te overtuigen.
 

Hoe kan onderzoek bijdragen aan een betere preventie en jeugdhulp? In deze serie van 7 interviews komen professionals in de jeugdsector zelf aan het woord. Zij vertellen hoe het effectonderzoek dat gedaan wordt binnen de Consortia Effectiviteit psychosociale interventies Jeugd direct bijdraagt aan het verbeteren van de hulp aan kinderen en hun ouders.

 

Op de hoogte blijven van deze reeks? Abonneer u op de nieuwsbrief Jeugd via www.zonmw.nl/nieuwsbriefjeugd

Het consortium Angst en depressie bij jongeren

De consortia Effectiviteit psychosociale interventies Jeugd

In de consortia Effectiviteit psychosociale interventies Jeugd slaan onderzoekers en jeugdhulpinstellingen nieuwe wegen in op 7 grotere inhoudelijke thema’s rond opgroeien en opvoeden. Het onderzoek moet kennis opleveren over welke (delen van) interventies wanneer, bij wie en door wie het beste ingezet kunnen worden. Vertrekpunt daarbij zijn de werkzame elementen van bewezen effectieve interventies. De consortia geven met vernieuwend effectonderzoek antwoord op vragen als: Wat maakt eigenlijk dat een interventie werkt? Zijn er werkende factoren die in alle interventies zitten? Hoe kan de hulpverlener invloed uitoefenen op het effect? En: welke interventies of onderdelen daarvan zijn kosteneffectief? Het is een uitdaging om dit effectonderzoek goed vorm te geven. Elk consortium doet dit anders. De consortia werken samen, zodat hun aanpak wel goed op elkaar afgestemd is. Het onderzoek van de consortia moet de interventies verbeteren en professionals en gemeenten helpen een keuze te maken voor een effectieve aanpak. De uitkomsten maken een nog effectievere praktijk en betere hulp aan kinderen en gezinnen mogelijk.


Thema's consortia

Binnen de consortia Effectiviteit Psychosociale interventies Jeugd wordt er gewerkt op de volgende 7 thema's:

  • Druk gedrag en ADHD
  • Externaliserende gedragsproblemen en gedragsstoornissen
  • Sociale vaardigheden, onzekerheid en weerbaarheid
  • Zware opvoedproblemen en multiprobleemgezinnen
  • Opvoedonzekerheid – preventief en licht problematiek
  • Angst, depressie, stemmingsproblemen en andere internaliserende gedragsproblemen
  • Voorkomen en vroegtijdige aanpak van kindermishandeling

Wat zijn (potentieel) werkzame elementen?

In de consortia wordt onderzoek gedaan naar de werkzame elementen van interventies. Maar wat zijn dat, die werkzame elementen? Werkzame elementen is datgene wat een hulpverlener kan doen om gewenst gedrag bij jeugdigen of hun opvoeders aan te leren. Of ongewenst gedrag af te remmen. Dit wordt in de literatuur met verschillende namen aangeduid (o.a. componenten, elementen, ingrediënten, kernels en technieken). We kiezen voor de term ‘werkzaam element’ omdat deze door de meeste consortia gebruikt wordt en goed aansluit bij de literatuur. Omdat vaak nog niet duidelijk is of het element ook echt werkt, zouden we eigenlijk van potentieel werkzame elementen moeten spreken. Maar dat is weer een hele mond vol. Een verzameling van deze werkzame elementen definieert een interventie. Bij het definiëren van een interventie spelen ook structuurelementen een rol. Zoals de volgorde, frequentie en intensiteit van de werkzame elementen. 

Wat onderzoekt het consortium Angst en depressie bij jongeren? 

Er zijn veel interventies beschikbaar voor de behandeling van angst en depressie. Voor het onderzoek zijn een groot aantal bewezen effectieve interventies geselecteerd:  21 interventies voor angst, 19 voor depressie en 18 voor angst en depressie. Er is veel overlap tussen de interventies, zowel in aanpak als in doelgroepen. De meeste bestaande interventies zijn gebaseerd op de cognitieve gedragstherapie (CGT), die voor deze klachten bewezen effectief is. Als eerste stap is met bestaand onderzoek bekeken welke elementen voorkomen in de meest effectieve behandelingen. Een mega analyse (analyse van veel bestaande databestanden) wordt uitgevoerd. De belangrijkste werkzame elementen worden vervolgens getest in 3 microtrials depressie en 2 microtrials angst. Microtrials zijn gerichte experimentele onderzoeken naar één specifiek element. Doel is te onderzoeken onder welke omstandigheden en voor welke jongeren, welke elementen het beste resultaat opleveren. Tot slot wordt een kosteneffectiviteitsstudie uitgevoerd. Hulpverleners, medewerkers van gemeenten en (vertegenwoordigers van) cliënten denken mee over de uitvoering van de trials, en over de beste manier om de informatie uit de onderzoeken te presenteren. 
 

Wat kan het onderzoek opbrengen voor de praktijk?

Door de onderzoeksresultaten krijgen professionals in wijkteams, het onderwijs, de gemeente, jeugdhulpverleners, en jongeren zelf meer zicht op de werkzame elementen bij angst en depressie. Het consortium ontwikkelt materiaal om deze werkzame elementen in de hulpverlening toe te passen. Producten zijn beschrijvingen van de elementen en hun toepassing, informatiebrochures voor ouders en jongeren, beeldend materiaal met uitleg, en trainingen voor professionals. De modules over angst en depressie zijn inmiddels al vastgelegd in handzame boekjes. Deze worden nu gebruikt in de microtrials. In het laatste projectjaar (2019) komt de definitieve keuze tot stand van de producten die in de praktijk kunnen worden gebruikt. 
 

In dit consortium werken onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen, Universiteit Utrecht en de Radboud Universiteit samen met het Trimbos-instituut en het Nederlands Jeugdinstituut. Samenwerkingspartners zijn de praktijkinstellingen Spirit in Amsterdam, Accare in Groningen, Lokalis in Utrecht, GGZ Oost Brabant en Karakter.

Meer weten?

ZonMw stimuleert gezondheidsonderzoek en zorginnovatie. ZonMw financiert gezondheidsonderzoek en stimuleert het gebruik van de ontwikkelde kennis - om daarmee de zorg en gezondheid te verbeteren. ZonMw heeft als hoofdopdrachtgevers het ministerie van VWS en NWO.

Tekst Veronique Huijbregts. Fotografie header Studio Oostrum. Portret Sannaz Photography.

Gerelateerd programma

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website