Driftbuien, druk gedrag, slaap- of eetproblemen: ouders leggen vaak aan de verpleegkundigen van de jeugdgezondheidszorg opvoedproblemen van hun kinderen voor. Welk advies en welke training snijden nu hout, en in welke situatie wel en niet? Om het onderzoek naar die vragen verder te helpen, werkt Zorggroep Rivas – Careyn mee aan onderzoek van CIKEO.

Hoe kan onderzoek bijdragen aan een betere preventie en jeugdhulp? In deze serie van 7 interviews komen professionals in de jeugdsector zelf aan het woord. Zij vertellen hoe het effectonderzoek dat gedaan wordt binnen de Consortia Effectiviteit psychosociale interventies Jeugd direct bijdraagt aan het verbeteren van de hulp aan kinderen en hun ouders.

 

Op de hoogte blijven van deze reeks? Abonneer u op de nieuwsbrief Jeugd via www.zonmw.nl/nieuwsbriefjeugd

Er is een overvloed aan wetenschappelijke onderzoeken en publicaties over lichte opvoedproblemen bij kinderen, zegt Marlinda Stam, voorheen jeugdarts en nu beleidsmedewerker jeugdgezondheidszorg bij Rivas Zuid-Holland Zuid. Ouders hebben ook behoefte aan goede tips. ‘Maar de veelheid aan informatie maakt de keuze ingewikkeld. Niet alleen voor ouders, maar ook voor professionals.’

Preventieonderzoek

De ouders zien de verpleegkundigen van de jeugdgezondheidszorg met name tijdens de vaste contactmomenten van hun jonge kinderen. Ze leggen dan vaak hun opvoedvragen en -onzekerheden voor. ‘Meestal gaan die over kinderen die redelijk functioneren. Onze adviezen zijn dus vooral preventief. Dat maakt het effect ervan moeilijk te bepalen. Zeker bij de lichte opvoedproblemen moeten we afgaan op wat ouders ons daarover vertellen. Maar wij willen graag weten of onze adviezen effectief zijn.’ 

'Er is zo veel opvoedinformatie voorhanden. Het is zoeken naar de juiste tips'
Portret Marlinda Stam

Het consortium Opvoedonzekerheid en lichte opvoedproblemen

De consortia Effectiviteit psychosociale interventies Jeugd

In de consortia Effectiviteit psychosociale interventies Jeugd slaan onderzoekers en jeugdhulpinstellingen nieuwe wegen in op 7 grotere inhoudelijke thema’s rond opgroeien en opvoeden. Het onderzoek moet kennis opleveren over welke (delen van) interventies wanneer, bij wie en door wie het beste ingezet kunnen worden. Vertrekpunt daarbij zijn de werkzame elementen van bewezen effectieve interventies. De consortia geven met vernieuwend effectonderzoek antwoord op vragen als: Wat maakt eigenlijk dat een interventie werkt? Zijn er werkende factoren die in alle interventies zitten? Hoe kan de hulpverlener invloed uitoefenen op het effect? En: welke interventies of onderdelen daarvan zijn kosteneffectief? Het is een uitdaging om dit effectonderzoek goed vorm te geven. Elk consortium doet dit anders. De consortia werken samen, zodat hun aanpak wel goed op elkaar afgestemd is. Het onderzoek van de consortia moet de interventies verbeteren en professionals en gemeenten helpen een keuze te maken voor een effectieve aanpak. De uitkomsten maken een nog effectievere praktijk en betere hulp aan kinderen en gezinnen mogelijk.


Thema's consortia

Binnen de consortia Effectiviteit Psychosociale interventies Jeugd wordt er gewerkt op de volgende 7 thema's:

  • Druk gedrag en ADHD
  • Externaliserende gedragsproblemen en gedragsstoornissen
  • Sociale vaardigheden, onzekerheid en weerbaarheid
  • Zware opvoedproblemen en multiprobleemgezinnen
  • Opvoedonzekerheid – preventief en licht problematiek
  • Angst, depressie, stemmingsproblemen en andere internaliserende gedragsproblemen
  • Voorkomen en vroegtijdige aanpak van kindermishandeling

Samenwerking

In het CIKEO (Consortium Integratie Kennisbevordering Effectiviteit Opvoedonzekerheid-interventies) werken verschillende academische werkplaatsen samen. Partners bij academische werkplaatsen zijn zowel universiteiten, hogescholen, organisaties voor opvoedondersteuning als gemeenten. De gemeente Rotterdam is de hoofdaanvrager van het onderzoeksproject. De uitvoerende onderzoekspartijen zijn het Erasmus MC, het LUMC en het Verwey-Jonker Instituut, in samenwerking met Hosman Prevention Consultancy & Innovation. Daarnaast is er een adviescommissie bestaande uit onderzoekers, praktijkprofessionals, beleidsmakers en mensen uit het veld van onderwijs, nascholing en implementatie.

Wat onderzoekt het consortium Opvoedonzekerheid en lichte opvoedproblemen (CIKEO) 

Het CIKEO is opgezet om het aanbod aan preventieve opvoedsteun te onderzoeken en zo mogelijk het aantal interventies uit de databank Effectieve Jeugdinterventies (DEI) in te dikken. De onderzoekers brengen in verschillende deelonderzoeken de behoeften van professionals en ouders aan kennis en opvoedadviezen in kaart. Ze kijken ook naar het gebruik, werkzame elementen, effecten en kosten van interventies. Om inzicht te krijgen in de werkzame elementen hebben de onderzoekers protocollen van interventies geanalyseerd. In een meta-analyse wordt gekeken naar de effecten van deze elementen  in internationale evidence based interventies. Ook doen ze een cohortstudie naar het gebruik van (werkzame elementen van) opvoedsteun in de dagelijkse praktijk van de jeugdgezondheidszorg en de effecten hiervan op ouders en kinderen. Met literatuuronderzoek, vragenlijsten, focusgroepen, interviews en een Delphi-studie brengen ze de visie van interventie-ontwikkelaars en aanbieders op interventiegebruik en werkzame elementen in beeld. Een literatuurstudie en focusgroepen in vier steden moet inzicht geven in de vraag hoe opvoedinterventies het best te implementeren zijn en wat de impact daarvan is op bevolkingsniveau.

 

De (verwachte) opbrengsten voor de praktijk

CIKEO wil duidelijk maken ‘wat werkt, voor wie en waarom’ als het gaat om preventieve opvoedondersteuning. Doel is inzicht te krijgen in de behoeften aan en het gebruik van opvoedondersteuning, over implementatie en effecten op bevolkingsniveau. Zodat opvoedondersteuning het beste vorm gegeven kan worden. van deze ondersteuning? Deze informatie is onder meer waardevol voor aanbieders van opvoedondersteuning, zoals JGZ-organisaties, en voor gemeentes die interventies inkopen. Deze partijen willen graag beter weten welke elementen van interventies effectief zijn. 

De kennis die dit project oplevert, maakt het mogelijk een aanbod te ontwikkelen dat is opgebouwd uit de meest werkzame combinaties van elementen. Het biedt de flexibiliteit waarmee de (bestaande) zorg is aan te passen aan mogelijkheden van organisaties, professionals en behoeften van ouders. In geval van geconstateerde lacunes of niet-onderbouwde interventies zijn er met de werkzame elementen nieuwe interventies te ontwikkelen. Hiermee is het aanbod aan preventieve opvoedondersteuning te versterken. Tot slot is met de nieuwe kennis de (na)scholing te verbeteren.

 

Meer weten?

Behoorlijke respons

Tot dusver zijn er 1500 vragenlijsten van de onderzoekers verstuurd naar ouders die bij Rivas contact met een verpleegkundige jeugdgezondheidszorg hebben gehad. Er kwamen 30 tot 35% ingevulde vragenlijsten terug, zegt Stam, ‘Best een goed resultaat’. Inmiddels bespreekt zij met onderzoekers de werkwijze in de volgende onderzoeksfase. Kunnen de onderzoekers bijvoorbeeld observaties doen tijdens de trainingen die Rivas geeft aan ouders van peuters en pubers? En mogen ze, gelet op de privacy, gegevens uit dossiers inzien, en onder welke voorwaarden dan? 

Mensgericht werken

Stam verwacht dat haar organisatie door deelname aan het onderzoek straks niet alleen zicht krijgt op de effectiviteit van het werk. Ze hoopt ook op meer inzicht in de opvoedingsvragen van ouders en hun verwachtingen op dit terrein. ‘Wij willen mensgericht en op maat werken. Voor de toekomst willen we weten hoe we met welke effectieve opvoedingsadviezen onze cliënten- en oudergroepen het beste bedienen. Dus met welke laagdrempelige trainingen en adviezen bereiken we de grootste effectiviteit en het beste maatwerk?’

‘Door de contacten over het onderzoek werken we nu beter samen’

Samenwerking

Stam heeft al enkele bijeenkomsten met alle onderzoekers en deelnemende organisaties bijgewoond. ‘Heel zinvol’, zegt ze. ‘Ik doe er allerlei inzichten op, omdat daar de resultaten vanuit deelonderzoeken samenkomen, bijvoorbeeld van het literatuuronderzoek. Dat is heel informatief.’ En hoewel het nog afwachten is wat het onderzoek praktisch oplevert, signaleert ze al één waardevol effect: betere samenwerking met andere organisaties voor jeugdgezondheidszorg. ‘Door de contacten over het onderzoek kom je nader tot elkaar. En je leert van elkaars werkwijze.’  

Gericht vervolgonderzoek

Stam verwacht dat de uitkomsten straks de basis kunnen zijn voor gerichtere vragen. ‘Het onderzoek houdt rekening met wat er mogelijk is, dus ik denk dat vervolgonderzoek dankzij de nieuwe inzichten steeds specifieker kan worden. Een tip aan de onderzoekers is om meer te anticiperen op te verwachten praktische problemen, zoals de kwestie van inzage in het dossier. ‘Dan kun je die tijdig oplossen. Dat vind ik een verbeterpunt.’

Binnen het CIKEO-consortium wordt vanuit verschillende academische werkplaatsen samengewerkt met diverse onderzoeksinstellingen, praktijk- en beleidinstellingen en met mensen uit het veld van onderwijs, nascholing en implementatie. De gemeente Rotterdam is de hoofdaanvrager van het onderzoeksproject. De uitvoerende onderzoekspartijen zijn het Erasmus MC, Leids Universitair Medisch Centrum en Verwey-Jonker Instituut en Hosman Prevention Consultancy & Innovation. 

ZonMw stimuleert gezondheidsonderzoek en zorginnovatie. ZonMw financiert gezondheidsonderzoek en stimuleert het gebruik van de ontwikkelde kennis - om daarmee de zorg en gezondheid te verbeteren. ZonMw heeft als hoofdopdrachtgevers het ministerie van VWS en NWO.

Tekst Veronique Huijbregts. Fotografie header Studio Oostrum. Portret Sannaz Photography.

Gerelateerd programma

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website