Welke obstakels zijn er bij de implementatie van e-health toepassingen voor patiënten en/of professionals binnen de gezondheidszorg en hoe overwint u ze? In deze publicatie leest u meer over de geleerde lessen van uw voorgangers.

Inhoud

Andere publicaties binnen deze reeks:

Een digitaal oogje in het zeil bij thuiswonende ouderen

Langer thuis blijven wonen is een wens van veel Nederlanders én van de overheid. Maar dan wel graag op een verantwoorde manier. Leefstijlmonitoring kan daarbij helpen.

Leefstijlmonitoring houdt in dat kwetsbare ouderen verschillende infraroodsensoren in huis krijgen, die bijhouden waar ze zich bevonden hebben. Dat biedt mogelijkheden om hun activiteit te monitoren en tijdig in te grijpen bij mogelijke crisissituaties. Senior onderzoeker Henk Herman Nap (Vilans): “Denk aan een persoon met dementie die vijf keer per nacht naar het toilet blijkt te gaan – heeft die misschien een blaasontsteking? Of is hij ’s nachts aan het dwalen?”

Portretfoto

Leefstijlmonitoring zou een positieve impact kunnen hebben op de mantelzorgers. “Dat is hard nodig, want veel mantelzorgers raken overbelast, blijkt uit onderzoek. Door op afstand mee te kijken kost mantelzorg hen minder tijd en voelen ze zich meer gerust, waardoor ze het langer kunnen volhouden. Bovendien is het mantelzorgnetwerk makkelijker uit te breiden als familieleden die verder weg wonen mee kunnen helpen.”

Lees verder in het artikel
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In 2015 kwam een consortium in Friesland bijeen om Leefstijlmonitoring op te schalen. “Op dat moment waren er vijf systemen in gebruik in de regio, we wilden opschalen naar 100. Daarnaast wilden we onderzoeken of Leefstijlmonitoring inderdaad een positief effect heeft op mantelzorgers, en ons derde doel was om een businesscase te ontwikkelen: welke kostenbesparing kunnen we verwachten en welke partijen hebben daar profijt van?”

Werkproces aanpassen

Het opschalen van Leefstijlmonitoring ging niet direct zo snel als gehoopt. “Het bleek lastig om een deel van de zorgprofessionals mee te krijgen. Pas na een maand of vier, vijf werden zij enthousiast. De meeste weerstand ondervonden we bij de casemanagers.” Hoe verklaart Nap de weerstand? “Veel mensen in de zorg werken al jarenlang op dezelfde manier, en dan komt er opeens nieuwe technologie. Het kost tijd om je eigen werkproces aan te passen. 

De weerstand bij zorgprofessionals werd overwonnen door te laten zien hoe het systeem werkt en wat de voordelen zijn. “Zorgprofessionals krijgen een beter inzicht in de cliënt, en het overleg tussen mantelzorger, casemanager en wijkverpleegkundigen loopt soepeler. Wijkverpleegkundigen vonden het prettig dat ze minder vaak langs hoefden, bijvoorbeeld om te checken of iemand ’s avonds laat echt nog in bed lag.” Uiteindelijk kregen 70 mensen met dementie Leefstijlmonitoring in huis, waardoor in totaal zo’n 300 mensen ermee gingen werken. “We kampen soms nog met technische storingen, bijvoorbeeld loze meldingen door een huisdier of bezoek. Maar dat is op te lossen. Het zou al helpen als je het systeem handmatig uit kunt schakelen.”

Familie in Noorwegen

En de mantelzorgers, ervaren die inderdaad minder druk? “Dat onderzochten we gedurende 300 dagen met meerdere meetmomenten. Het bleek dat de ervaren druk inderdaad afnam. De zorggerelateerde kwaliteit van leven nam iets toe, hoewel niet significant. Maar daarbij moet je meenemen dat je een daling zou verwachten”, merkt Nap op. De mantelzorgers waren heel positief over het vergroten van het mantelzorgnetwerk. “Zelfs een familielid in Noorwegen kan met Leefstijlmonitoring een steentje bijdragen.” In de looptijd van het project kon niet worden aangetoond dat ouderen langer thuis bleven wonen. “Soms zie je dankzij Leefstijlmonitoring juist dat het niet goed gaat thuis, dat iemand bijvoorbeeld niet meer in de keuken komt. Dan volgt er juist eerder een opname – maar dat is ook gewenst. Het kan crisissituaties voorkomen.”

Financiering

Meerdere zorgverzekeraars zijn bezig met de vergoeding van Leefstijlmonitoring, maar die vergoeding gaat vooralsnog in Friesland wel af van de zorguren. “Het is dus niet iets wat je erbij krijgt”, legt Nap uit. “We onderzochten waar de baten van Leefstijlmonitoring vallen. Dat blijkt voor het grootste deel bij de zorgverzekeraar te zijn, en voor een klein deel bij de zorgaanbieders. De zorgverzekeraar krijgt dus de voordelen maar wil nog geen apart potje vrijmaken. We zijn nu aan het onderzoeken hoe we dit kunnen oplossen. We denken aan een systeem met shared savings, waarbij iedereen bijdraagt, maar dat lijkt lastig uitvoerbaar. Een andere optie is een variant waarbij de leverancier het systeem verhuurt aan de eindconsument, die het weer kan verhuren aan de zorgaanbieder als die het nodig heeft. Dat gaan we nu uitpluizen. Het leuke is wel dat we gewoon verder gaan met Leefstijlmonitoring, ook al is de subsidie gestopt. Er is zelfs interesse vanuit de gehandicaptenzorg.”

Tips

Tot slot heeft Nap nog wat algemene tips voor de implementatie van e-health. “Neem alle betrokken partijen van begin af aan mee, dus ook bij de keuze van de systemen. Houd er rekening mee dat implementatie tijd kost; de stakeholders moeten de technologie nog accepteren. Begin met kleine pilots, dan kun je beter weloverwogen keuzes maken. Besef dat metingen die je doet vaak op meerdere manieren te interpreteren zijn. Als een persoon met dementie niet meer naar de keuken gaat, hoeft dat niet per se te betekenen dat hij niet meer drinkt – misschien vult hij zijn glas water wel in de badkamer. Je moet dat dus zelf controleren. Tot slot: laat e-health een onderdeel zijn van het zorgproces, in plaats van iets erbovenop. E-health is een middel, geen doel.”

Video
Bekijk de video op YouTube

Voorbereiding op darmonderzoek via de computer

Een patiënt die een kijkonderzoek van de dikke darm - een coloscopie - moet ondergaan, komt vooraf op consult. Hij krijgt dan uitleg over het onderzoek, moet vragen beantwoorden over zijn gezondheid en hoort hoe hij zich moet voorbereiden. Zou zoiets niet even goed digitaal kunnen? Maag-darm-lever(MDL)arts dr. Michael Klemt-Kropp (Noordwest Ziekenhuisgroep) ontwikkelde samen met promovendus en MDL-arts in opleiding Govert Veldhuijzen (Radboudumc) en met het bedrijf Medify een e-health-applicatie die het voorbereidende consult vervangt: de Coloscopie MEx.

Portretfoto

Stel, je moet een coloscopie ondergaan en krijgt voorlichting via Coloscopie MEx. Hoe gaat dat in z’n werk? “Je krijgt met een unieke link via een beveiligde server toegang tot een informatieapplicatie”, antwoordt Klemt-Kropp. “Daar krijg je multimediale uitleg over het onderzoek.” Die uitleg bestaat uit een algemeen gedeelte over het darmonderzoek, en een gedeelte dat is toegespitst op het ziekenhuis. 

Lees verder in het artikel
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

“De patiënt krijgt eerst uitleg over het ziekenhuis en de afdeling, beginnend bij de route, wat hij moet meenemen en waar hij zich moet melden”, vertelt Klemt-Kropp. “Dat is individueel gefilmd voor alle ziekenhuizen. De eerste keren kostte het filmen veel tijd maar dankzij een vast draaiboek lukt het nu in een halve werkdag. We verwerken ook de corporate identity van het ziekenhuis in de film.” 

Multimediaal

Daarna volgt generieke uitleg over het reinigen van de scopen, de voorbereidingen op de procedure, verwijderen van een poliep enzovoorts. “Daarvoor gebruiken we video’s, foto’s met pop-up teksten, een voice-over en animaties”, voegt de MDL-arts toe. “Aan het eind krijgt de patiënt uitleg over de darmvoorbereiding: wat moet hij wel of niet eten en drinken voorafgaand aan het onderzoek, wanneer moet hij het laxeermiddel innemen en hoe?” De arts in het ziekenhuis kan zien of de patiënt alle onderdelen heeft gevolgd. 

Geautomatiseerde acties

Tot slot vult de patiënt een toestemmingsformulier (informed consent) in, plus een vragenlijst over zijn gezondheid. Het gaat om zaken als rookgedrag, hartziekten, medicijngebruik en slaapapneu. “Die gegevens gaan automatisch naar het ziekenhuis en er zitten wat geautomatiseerde acties aan gekoppeld.” Klemt-Kropp geeft twee voorbeelden: “Als een patiënt aan slaapapneu lijdt, krijgt hij een melding dat hij zijn masker moet meenemen vanwege het roesje. En als hij bloedverdunners gebruikt, krijgt hij automatisch advies over hoe hij dat moet aanpassen.” In sommige gevallen, bij een ernstige hartziekte, krijgt het ziekenhuis een melding dat de patiënt alsnog op het spreekuur gezien moet worden.

Beter voorbereide patiënten

Uit het eerste gebruik bij ongeveer 600 patiënten in het Medisch Centrum Alkmaar en het Jeroen Bosch Ziekenhuis in Den Bosch bleek dat patiënten beter zijn voorbereid zijn dan na een consult op de poli. “Ze scoren significant hoger op de kennistoets en de darmen zijn beter gereinigd door betere uitleg over het gebruik van laxeermiddelen. Dat komt waarschijnlijk doordat ze in alle rust, eventueel samen met hun familie, naar de voorlichting kunnen kijken en desgewenst onderdelen herhalen.” Bovendien bespaart de Colosopie MEx bespaart kosten door minder personele inzet vanwege het geschrapte consult. Redenen genoeg om verder uit te breiden. ZonMw kende hiervoor een subsidie toe.

Logge logistiek omzeilen

Hoe heeft het projectteam de uitbreiding aangepakt? “We presenteerden onze applicatie op congressen, schreven in vaktijdschriften over de Coloscopie MEx en spraken persoonlijk met collega’s”, antwoordt Klemt-Kropp. Het bleek niet moeilijk om artsen enthousiast te krijgen. “De allerbelangrijkste fase is echter die tussen ‘ja, ik wil het gaan doen’ en het draaiend krijgen van de applicatie. We hebben deze fase samen met Medify enorm kunnen verkorten door een strak draaiboek te formuleren. Daardoor strandt het proces niet in de logge logistiek en administratie van een ziekenhuis.” Hindernissen bleken de telkens andere eisen van automatiseringsafdelingen, allerlei normen waaraan moest worden voldaan en het feit dat iedere partij in het ziekenhuis wilde meebeslissen. “We hebben alle problemen die we tegenkwamen en de gevonden oplossingen gedocumenteerd. Die documenten helpen ons nu enorm: voor elk probleem kunnen we de oplossing presenteren.”

Koudwatervrees wegnemen

Welke tips heeft Klemt-Kropp verder voor een succesvolle implementatie? “Begin zo snel mogelijk met patiënten, vermijd te lange pilotfases”, antwoordt hij. “Zorg verder dat je de implementatie maximaal faciliteert. Als een ziekenhuis interesse toont, laten wij de MDL-arts bijvoorbeeld de informatie leveren maar daarna komt onze filmafdeling langs om een filmpje te maken. Ook hebben we een goed toegerust implementatieteam.” Om koudwatervrees weg te nemen raadt Klemt-Kropp aan om de beoogde gebruikers een dagje mee te laten kijken. “Bij ons komen hele afdelingen langs om te zien hoe het werkt:  niet alleen de chirurgen, maar ook verpleegkundigen, secretaresses, mensen van het planbureau. Zo creëer je breed gedragen enthousiasme.”

Bevolkingsonderzoek Darmkanker

Naar de Coloscopie MEx loopt momenteel een vervolg op de pilotstudy: deze keer bij maar liefst 1600 patiënten in veel verschillende ziekenhuizen. “We hopen hiermee het RIVM over te halen om de Coloscopie MEx ook toe te staan voor mensen die een coloscopie krijgen naar aanleiding van het Bevolkingsonderzoek Darmkanker”, licht Klemt-Kropp toe. “Tot nu toe is dat niet gelukt; het RIVM schrijft twee consulten voor en accepteert geen vervanging van dat eerste consult door een e-healthtoepassing.” 

Geen vergoeding door zorgverzekeraars

De maag-darm-leverarts heeft ook nog wat aanbevelingen voor overheid, inspectie en zorgverzekeraars als het gaat om e-health-implementatie. “De overheid zou moeten erkennen dat e-healthoplossingen impact hebben op de huidige zorgefficiëntie”, zegt hij. Er moet onderzocht worden of aanpassing van regelgeving nodig is om e-healthapplicaties breed in te voeren. “Bijvoorbeeld het verplichte informed consent – is een e-consent ook acceptabel? Ook het juridische kader is nog onduidelijk. Wie is er bijvoorbeeld verantwoordelijk als een patiënt meent niet goed te zijn voorgelicht? Wij hebben in ons project al veel voorwerk gedaan, maar er is nog steeds veel onduidelijk. De regelgeving loopt achter op de ontwikkelingen met e-health.”

Ook de vergoeding van e-health door de zorgverzekeraar is nog problematisch. “Bij ons wordt nu maar één consult vergoed in plaats van twee, omdat de patiënt een keer minder langs hoeft te komen. Maar de kosten voor het gebruik van de e-healthapplicatie worden níet vergoed! Zo word je in feite gestraft als je de zorg goedkoper probeert te maken.”

Video
Bekijk de video op YouTube

PsyNet laat zorgverleners samenwerken voor betere psychiatrische zorg

Portretfoto

Voor optimale psychiatrische zorg moeten de verschillende partijen in het netwerk rond de patiënt onderling goed samenwerken. Het UMC Utrecht ontwikkelde een e-health-applicatie om dit te vergemakkelijken: PsyNet. De implementatie verliep zeker niet van een leien dakje, al zijn alle gebruikers enthousiast. “Het kost tijd om een werkwijze te veranderen”, zegt initiatiefnemer dr. Floor Scheepers.

De zorg voor psychiatrische patiënten is niet optimaal georganiseerd, merkte kinder- en jeugdpsychiater dr. Floor Scheepers (UMC Utrecht) in de praktijk. Ze is medisch afdelingshoofd van de afdeling Psychiatrie van het UMC Utrecht. “Het liep vaak mis liep bij verwijzingen en afstemming tussen onze afdeling en andere zorgverleners. Dan vallen er gaten, komen patiënten bijvoorbeeld meermaals terug op de crisisopvang, of zie je jongeren voor een fourth opinion.” Scheepers en haar collega’s wilden graag meer samenwerking. “Waarbij voor iedereen duidelijk is: wie doet wat, en wat doet de patiënt zelf?” Een digitale oplossing leek ideaal. “Het is tenslotte lastig om iedereen tegelijk aan tafel te krijgen. Met ICT kun je sneller en soepeler samenwerken.”

Lees verder in het artikel PsyNet laat zorgverleners samenwerken voor betere psychiatrische zorg
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Patiënt krijgt regie

Scheepers en haar collega’s zochten naar bestaande ICT-oplossingen die aansloten op hun behoeften. Zo belandden ze bij twee ICT-partijen: PAZIO en Topicus. “Die bleken elkaar mooi aan te vullen en zagen een samenwerking wel zitten. Zo ontstond PsyNet.” Uitgangspunt van PsyNet is het ‘empoweren’ van de patiënt. “Die is eigenaar van zijn dossier. Hij heeft eindelijk zijn netwerk overzichtelijk in beeld en kan zien waarover zijn hulpverleners onderling communiceren. Ook kan hij zelf in een beveiligde omgeving rechtstreeks contact hebben met zijn hulpverleners en bepaalt welke netwerkpartners het best aansluiten op zijn behoeften.” Kunnen alle psychiatrische patiënten zoveel regie aan? “Een deel van de patiënten wel, anderen loggen samen met de POH-GGZ of een maatschappelijk werker in op PsyNet.”

Vertraging

Het UMC Utrecht benaderde alle partijen in de regio die betrokken zijn bij de zorg voor psychiatrisch patiënten, waaronder GGZ-instellingen, verslavingszorg, een organisatie voor beschermd wonen, de gemeentelijke diensten en de POH-GGZ. “Tegelijk startten we focusgroepen van patiënten en stelden een promovendus aan. Daarna vroegen we steun van ZonMw.” Alle partijen brachten middelen in. Vervolgens verzorgde een maatschappelijk werker training en instructie voor patiënten, mantelzorgers en zorgverleners. “Heel geleidelijk aan groeide de groep patiënten. Per patiënt kost het soms wel twee maanden voordat je het hele netwerk om hem heen hebt aangesloten. We zijn daardoor nog niet bij het tipping point: het punt waarop een grote massa van behandelaren met PsyNet werkt en het ‘gewoon’ wordt.”

Andere manier van werken

Al met al verliep het uitrollen van PsyNet dus niet van een leien dakje? “De weg is veel moeizamer dan verwacht. Hoewel iedereen bij aanvang enthousiast was, is het blijkbaar toch heel lastig om te transformeren naar een andere manier van werken”, zegt Scheepers. Behandelaren zijn gewend om op zichzelf te werken: ze behandelen een patiënt, sluiten af en beginnen met de volgende. “Terwijl PsyNet vraagt om veel meer afstemming met andere behandelaren. En dat is ook nódig voor optimale zorg. Misschien is het sociale wijkteam wel veel geschikter voor bepaalde hulpverlening, of de huisarts, of de buurman. Die manier van denken zit nog niet in het systeem van met name de tweede- en derdelijns GGZ.”

Betere tijden

Toch lijkt het tij inmiddels gekeerd. “We wonnen een communicatieprijs van Medisch Contact, we krijgen steun van verzekeraars VGZ en Achmea, en in het kader van ‘Nieuwe GGZ’ kunnen we PsyNet uitrollen in andere stedelijke regio’s. De tijd wordt steeds rijper en PsyNet komt steeds meer in de picture. Opeens lopen we voorop in het werken in netwerken.” Heeft Scheepers tips voor anderen die e-health willen implementeren? Bijvoorbeeld om behandelaren mee te krijgen? “Dat lukte ons door gebruik te maken van het enthousiasme van de medewerkers en patiënten die al met PsyNet werken, door heel veel uitleg te geven en hand in hand de applicatie te gebruiken, en door lang vol te houden. We probeerden binnen alle organisaties ambassadeurs te vinden, wat soms prima lukte en soms minder.”

Pleidooi voor fusies tussen ICT-initiatieven

Tot slot merkt Scheepers op dat er veel prachtige e-healthapplicaties ontwikkeld worden, maar dat het struikelpunt toch echt de implementatie blijft. “Ik mis schaalvergroting en gezamenlijk keuzes maken: welke applicaties gaan we breed implementeren? Er bloeien duizend bloemen in het poldermodel maar de patiëntenzorg is gebaat bij overzicht en een klein, kwalitatief goed aanbod.” Scheepers constateert dat het lastig is om ontwikkelaars van verschillende e-healthapplicaties te laten samenwerken. “Dat heeft ook te maken met prestige en willen scoren, en met wel of niet mee willen doen met het feestje van een ander. Het zou mooi zijn als er een subsidieoproep kwam die niet gericht was op nieuwe initiatieven, maar op samenwerking tussen ICT-initiatieven. Voor partijen die willen investeren in het aan elkaar knopen van applicaties, waarbij ze elkaar kunnen aanvullen en versterken.”

Video
Bekijk de video over PsyNet op YouTube

Kinderen met astma beter monitoren

Om astma onder controle te houden is goede monitoring onmisbaar. Werkt de behandeling zoals gehoopt, zijn er bijwerkingen, houdt de patiënt zich aan zijn leefregels en gebruikt hij zijn medicatie goed? Luchtbrug is een e-health-interventie die monitoring op afstand mogelijk maakt. Met Luchtbrug hoeft de patiënt minder vaak naar het ziekenhuis te komen, terwijl er juist méér (online) controlemomenten zijn. “Dat is fijn voor de patiënt en het levert een kostenbesparing op. Bovendien blijkt dat de kwaliteit van zorg gehandhaafd blijft. Misschien zelfs een beetje verbetert”, zegt kinderlongarts dr. Peter Merkus (Radboudumc Amalia kinderziekenhuis).

Portretfoto

Luchtbrug is een innovatief online zorgconcept gericht op kinderen tussen 6 en 18 jaar met astma. “Zij vullen maandelijks een lijst in met vragen over hoe het met ze gaat”, vertelt Merkus. “Daar komt een bepaalde score uit. Als die score goed is, krijgt het kind opbouwende feedback en een aanmoediging om zo door te gaan. Is de score onvoldoende? Dan is de astma misschien niet goed onder controle. We lopen dan alles na: neem je je medicatie wel goed in, zijn de medicijnen niet over de datum? Houd je je aan je leefregels?” Bij twijfel komt er een signaal om contact op te nemen met het astmateam. “Dat signaal komt ook terecht bij de mensen achter Luchtbrug”, voegt Merkus toe.

Lees verder in het artikel Kinderen met astma beter monitoren
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Vervanging deel reguliere zorg

Met Luchtbrug wordt een stukje reguliere zorg echt vervangen door e-health. “De patiënten en hun ouders zijn daar heel blij mee”, weet Merkus. “De kinderen hoeven minder vaak naar het ziekenhuis te komen en kunnen zo meer meedoen met het gewone leven. Ouders hoeven minder vaak vrij te nemen om naar het ziekenhuis te reizen.” Ook de kosten zijn lager. “We hebben berekend dat we met Luchtbrug 200 euro per patiënt per jaar kunnen besparen. Aangezien er veel kinderen met astma zijn, valt er met landelijke invoering dus heel wat te winnen.” Luchtbrug is niet voor elk kind geschikt. “Soms is de ziekte te ernstig en moet het kind echt regelmatig gezien worden op de poli. Er zijn ook gezinnen die niet goed in staat zijn om te rapporteren via Luchtbrug, bijvoorbeeld vanwege een andere taal of door lage gezondheidsvaardigheden.” Toch schat Merkus dat driekwart van de kinderen met astma voor Luchtbrug in aanmerking zou komen.

Koppeling aan EPD

Met steun van ZonMw konden Merkus en zijn team op zoek naar belemmerende en bevorderende factoren voor het gebruik van Luchtbrug. “Waarom zouden zorgverleners er níet mee gaan werken? Om dat te onderzoeken hebben we Luchtbrug in veertien Nederlandse ziekenhuizen geïmplementeerd.” De reacties varieerden, zegt Merkus. “Belemmerende factoren waren de ziekenhuis-ICT – zo hadden we soms problemen met een trage server of een firewall die de website blokkeerde. Om dat te voorkomen verdient het aanbeveling om de lokale ICT-afdeling voorafgaand aan de implementatie te laten meedenken.” De zorgprofessionals hadden zelf ook suggesties voor verbetering. “Zij zouden Luchtbrug graag koppelen aan het elektronisch patiëntendossier, het EPD. Onze bedoeling is dat de astmascore en het behandelplan via een pdf in het dossier belanden. Dan moet een koppeling relatief makkelijk uitvoerbaar zijn.”

Vergoeding

Een andere belemmering bleek het gebrek aan vergoeding. “De zorgverzekeraars zijn nog niet ingesteld op het vergoeden van e-health. Patiënten die geschikt zijn om Luchtbrug te gebruiken, zie je minder vaak op de poli. Daar komt dus minder vergoeding voor. Maar er is wél iemand ingeroosterd om Luchtbrug te bemensen – meestal een kinder(long)verpleegkundige. En daar is geen vergoeding voor. Hoewel je met Luchtbrug zorgkosten bespaart, snijd je als ziekenhuis dus jezelf in de vingers.” Ook het omschakelen naar de nieuwe manier van werken kan een belemmering zijn. “Er verschuift werk van de kinderarts naar de kinder(long)verpleegkundige”, licht Merkus toe. “Alle veranderingen kosten nu eenmaal tijd en gaan niet altijd makkelijk, al snapt iedereen wel dat we deze kant op gaan. De zorg is goed tot uitstekend maar kan doelmatiger en patiëntgerichter worden.”

Helpdesk

Merkus heeft nog wat tips voor anderen die e-health willen implementeren. “Stel vooraf alle betrokkenen op de hoogte van de e-Health-interventie en het gebruik ervan. Dat kan met een introductiebezoek, waarbij je meteen instructie geeft. En zorg voor handleidingen voor zorgverleners, zodat ze de meeste problemen die ze tegenkomen zelf kunnen oplossen, en een helpdesk voor als dat niet lukt. Bij ons wordt die helpdesk centraal bemand door de projectleider.”

Mobiele app

Van de 14 deelnemende ziekenhuizen zijn er 10 die Luchtbrug op reguliere basis gaan gebruiken. Hoe nu verder? “We werken samen met het Longfonds aan een goede mobiele versie van Luchtbrug”, antwoordt Merkus. “Er was al een primitieve mobiele versie, maar dit jaar lanceren we een mooie geavanceerde app. Daar kunnen patiënten zowel hun eigen astma mee monitoren als hun Luchtbrug-account koppelen aan de app. We hopen dat die app zal werken als een katalysator.” Verder is zorgverzekeraar VGZ bereid concrete afspraken te maken over vergoeding van Luchtbrug. “Daar hoort dan wel bij dat ziekenhuizen ook écht minder controles op de poli plannen”, voegt Merkus toe. “Dat gaat soms in tegen de mentaliteit van managers om vooral veel productie te draaien,daarvoor krijgen ze immers vergoeding en voor monitoring via Luchtbrug niet.. De vergoeding is nu nog te veel gericht op kwantiteit in plaats van op kwaliteit van zorg.” Merkus pleit dan ook voor landelijke afspraken tussen het ministerie van VWS, zorgverzekeraars en zorgverleners om structurele financiering voor e-health-interventies van de grond te krijgen.

Video
Bekijk de video op YouTube

Met Psyfit zelf je mentale veerkracht versterken

Patiënten met lichte psychische klachten kunnen terecht bij de huisartsenpraktijk. Vaak behandelt de PraktijkOndersteuner Huisarts – Geestelijke GezondheidsZorg (POH-GGZ) deze patiënten. Psyfit is een digitaal zelfhulpprogramma waarmee patiënten thuis aan hun geestelijk welbevinden kunnen werken. “We zijn in 2010 begonnen met Psyfit”, vertelt projectleider Linda Bolier (Trimbos Instituut). “Inmiddels maakten al meer dan 13.000 mensen er gebruik van.”

Portret Linda Bolier

Oefeningen

“Voor Psyfit hebben we mental fitness ontwikkeld, waarbij patiënten met eenvoudige leefregels werken aan hun mentale veerkracht.” Bolier noemt termen als mindfulness, positieve relaties, constructief leren denken, meer grip op je leven en vaststellen van doelen. “Er zijn onder andere podcasts en oefeningen. De patiënt kan zelf kiezen welke modules hij wil doen. Als hij kiest voor de module ‘Hier en nu’, kan zo’n opdracht bijvoorbeeld zijn: doe alles een beetje langzamer, of neem eens een andere fietsroute naar je werk en probeer alles heel bewust te beleven.”

Lees verder in het artikel Met Psyfit zelf je mentale veerkracht versterken
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Therapie volhouden

Eerder bleek dat deelnemers enthousiast waren om te starten met Psyfit. Juist door de positieve, praktische benadering zijn mensen snel geneigd ermee te beginnen. Het bleek voor sommige mensen alleen wel lastig om gemotiveerd te blijven en de therapie vol te houden. Daarom koos men ook voor implementatie via de POH-GGZ. “Daarmee bereik je misschien minder mensen, maar met een betere begeleiding zullen er ook minder afhakers zijn. Deze grote groep van patiënten met licht psychische klachten heeft vaak wel wat begeleiding nodig”, aldus Bolier.

Persoonlijke begeleiding

Met steun van ZonMw rolden de onderzoekers Psyfit verder uit. “We ontwikkelden een protocol voor het inpassen van Psyfit in de behandeling, maar de POH’s konden ook naar eigen inzicht handelen.” Patiënten die gebruik gingen maken van Psyfit, voerden een aantal begeleidingsgesprekken met de POH. Bolier: “In het eerste gesprek inventariseerde de POH wat er aan de hand was en waar de patiënt aan wilde werken. Vervolgens werd bepaald welk onderdeel van Psyfit daarop aansloot – we ontwikkelden daarvoor ook een overzicht van klachten gekoppeld aan onderdelen van Psyfit - en kreeg de patiënt uitleg over het programma.” In de loop van de behandeling bespraken POH en patiënt regelmatig hoe het ging. “Wat ging er goed en wat kan er beter? Ook kon de POH inhoudelijk ingaan op de problemen van de patiënt, want daar is in Psyfit geen ruimte voor.” Vaak bleek de POH Psyfit te verweven met de eigen behandeling. “Een depressieve patiënt die cognitieve gedragstherapie kreeg, kon Psyfit bijvoorbeeld gebruiken om het goede gevoel vast te houden.”

Motivatie

Hoger opgeleiden en meer gemotiveerde patiënten bereiken in het algemeen veel met zelfhulp. Bij anderen verloopt het vaak moeizamer. “Hoe motiveer je mensen zodat ze aan hun doelen blijven vasthouden? Dat is een heel relevante vraag. We werken daarom aan hulpjes voor de motivatie: reminders en leuke motiverende berichten bijvoorbeeld. Psyfit is nu alleen nog via het internet te gebruiken, maar er komt een mobiele versie waarbij reminders en berichtjes makkelijker te versturen zijn.” Bolier benadrukt het belang van de interactie met de POH. “We zagen in het project dat de POH gebruikmaakte van oplossingsgerichte en motiverende gesprekstechnieken. Dat hielp de patiënt om het vol te houden.” Wat ook helpt is een visueel aantrekkelijke toepassing, met korte bondige teksten, en het instellen van beloningen voor patiënten. “Vergelijk het met de FitBit, een stappenteller waarbij je een soort digitale stickers kunt verdienen. Dat werkt echt, zelfs al gaat het om een virtuele beloning.”

Voortgang monitoren

Tijdens de implementatie kwamen nog wel wat verbeterpunten naar voren. Zo bleek dat POH’s graag willen kunnen zien hoe goed de patiënt opschiet met Psyfit. “Ze willen de voortgang kunnen monitoren – niet tot in alle details, maar genoeg om de patiënt te kunnen volgen.” Daar wordt nu aan gewerkt. Iets anders waar aan gewerkt wordt, is het monitoren van klinische effecten van het programma met behulp van gevalideerde vragenlijsten voor de patiënt. “We willen onder andere de mate van begeleiding variëren om zo te bepalen welke vorm van begeleiding het meest optimaal is.”

Toegang tot alle programma’s

Psyfit is beschikbaar via New Health Collective, dat online behandelingen aanbiedt aan de eerstelijnszorg en geestelijke gezondheidszorg. Maar er zijn meer online programma’s die patiënten kunnen helpen bij het versterken van welbevinden en veerkracht (zie de toolkit e-mental health, www.huisarts-emh.nl/). “Het lastige is dat de POH Psyfit of een ander programma niet kan gebruiken als de huisarts in zee gaat met een andere software-aanbieder”, merkt Bolier op. “Trimbos gebruikt bij het ontwikkelen van nieuwe programma’s zoveel mogelijk zogenaamde ‘application programming interfaces’ (API’s), zodat ze wél makkelijker te gebruiken zijn via verschillende systemen.”

Veel huisartsen kiezen bij voorkeur voor evidence-based toepassingen. “Ze zouden daarom het liefst verschillende toepassingen willen shoppen bij verschillende aanbieders, maar dat is nu lastig, ook vanwege de kosten. Hopelijk kunnen nieuwe technologische ontwikkelingen daar verandering in brengen.” 

Bekijk de video waarin praktijkondersteuner Yolanda Ducaneaux vertelt over het werken met Psyfit

Betere communicatie met OZOverbindzorg

Langer thuis blijven wonen vraagt om een goede communicatie tussen cliënten, mantelzorgers en zorgverleners. Met steun van ZonMw implementeerde de stichting OZOverbindzorg een ICT-systeem waarbij de cliënt zelf bepaalt welke zorgverleners toegang heeft tot zijn gegevens. Inmiddels werken meer dan 300 huisartsen binnen en buiten de regio Salland met OZOverbindzorg en nog niemand is afgehaakt.

Portret Cindy Hobert

Cindy Hobert is praktijkmanager bij een huisarts in Luttenberg. In 2012 moest het verzorgingstehuis aldaar sluiten. “De overheid zet in op langer thuis blijven wonen. Verzorgingstehuizen nemen geen nieuwe bewoners meer aan, en omdat ons dorp klein is moest het verzorgingstehuis weg.” Voor de bewoners betekende dat dat zij moesten verhuizen naar een ander dorp. “Dat is niet handig voor het contact met de huisarts. We merkten dat we er vaak te laat bij werden geroepen, als de situatie al geëscaleerd was. Dat moest beter kunnen, dachten we.” 

Lees verder in het artikel Betere communicatie met OZOverbindzorg
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Simpel systeem

Hobert ging in gesprek met cliënten, mantelzorgers en allerlei zorgverleners, zoals de apotheek, de fysiotherapie en de thuiszorg. Het doel: bereiken dat ouderen, hulpbehoevenden en kwetsbaren die zorg nodig hebben langer thuis kunnen blijven wonen. “Al snel bleek dat met name de communicatie een probleem was. Wij zorgverleners wisten niet goed van elkaar wat we deden.” Het Landelijk Schakelpunt, een ICT-systeem voor uitwisseling van medische gegevens, bleek niet geschikt. “We wilden een heel simpel systeem waarbij de zorgvrager eigenaar is van zijn dossier, en zelf bepaalt welke betrokkenen daar toegang toe krijgen.” Dat is namelijk waar het bij veel ICT in de zorg misgaat, denkt Hobert. “Standaard is de zorgverlener eigenaar van het ICT-systeem. Elk ICT-systeem is dus ingericht volgens de eigen wensen, en niet per se volgens die van de andere gebruikers. In onze regio Salland alleen al zijn 41 thuiszorgorganisaties actief en de huisarts zou dus met ál die tools moeten werken”, schetst zij de moeilijkheid.

OZO-berichtje

Er werd een stichting opgericht, OZOverbindzorg, die vanuit de praktijk ICT liet ontwikkelen door Zorgverband. “Er is geen dossieropbouw bij OZOverbindzorg, dat doet iedereen zelf. Het gaat vooral om het delen van informatie. Bijvoorbeeld: de thuiszorgmedewerkster prikt bloedwaardes bij een cliënt. De uitslag daarvan moet naar de praktijkondersteuner. Voorheen ging dat via de mail, een appje of telefoontje. Nu kan dat eenvoudig via OZO. Ander voorbeeld: een mantelzorger merkt op dat haar man telkens bij de buurman voor de deur staat. Daar kan ze een OZO-berichtje over sturen dat wordt opgepikt door de thuiszorgmedewerkster. Die vraagt zich af: is de cliënt aan het dementeren, of zijn de medicijnen misschien niet goed op elkaar afgestemd? Zij kan dan hulp inschakelen, bijvoorbeeld van de huisarts. Nog een voorbeeld: een mantelzorger kan in één keer een berichtje sturen naar alle betrokken zorgverleners: ‘Mijn moeder is vandaag opgenomen in het ziekenhuis. Mocht ze een afspraak bij u hebben staan, dan weet u dat ze niet zal verschijnen.’ Dat scheelt heel veel tijd.”

Onderling contact

“We gebruikten OZOverbindzorg in 2013 voor Luttenberg, vanaf 2014 voor de hele gemeente Raalte”, vertelt Hobert. De reacties waren erg positief. “Vooral mantelzorgers waren heel blij: het gaf rust en ze waren nu goed op de hoogte. Ook zorgverleners waren heel tevreden. Ze ontdekten dingen over hun cliënten die ze niet wisten en pasten hun handelen daarop aan.” Via mond-tot-mondreclame verspreidde het nieuws over OZOverbindzorg zich. Met een subsidie van ZonMw in het kader van 'De zorg ontzorgd met ICT' rolt OZOverbindzorg sindsdien snel uit. “Inmiddels opereren we landelijk”, zegt Hobert. Het is wel uitdrukkelijk de bedoeling dat elke regio zijn eigen OZOverbindzorg voert. “Het mooie is juist dat regionale organisaties elkaar ook beter leren kennen. Wij hebben hier bijvoorbeeld een organisatie voor thuiszorg en een organisatie voor dagbesteding, die hebben dankzij OZOverbindzorg nu veel beter contact met elkaar.”

Taal van de gebruikers

Inmiddels werken meer dan 300 huisartsen binnen en buiten de regio met OZOverbindzorg en nog niemand is afgehaakt. Hoe verklaart Hobert de succesvolle implementatie? “Zorgverleners zijn in eerste instantie huiverig voor het gebruik van nóg een systeem. Daarom moet je ze meteen zelf laten ervaren hoe het is om met OZOverbindzorg te werken, zodat ze de meerwaarde ervan inzien.” OZOverbindzorg werkt met mensen uit dezelfde beroepsgroep om hun ‘soortgenoten’ te instrueren en te overtuigen. “Een huisarts die aan een andere huisarts vertelt dat OZOverbindzorg zo prettig werkt, maakt meer indruk dan iemand van de stichting. We laten wijkverpleegkundigen OZOverbindzorg implementeren bij de thuiszorgmedewerkers. Mantelzorgers geven instructie aan andere mantelzorgers. Je moet zorgen dat je de taal van de gebruikers spreekt.”

Doelen stellen

Een belangrijk aandachtspunt is het begeleiden van iedereen die met het systeem gaat werken: cliënten, mantelzorgers en zorgverleners. “Ook al zijn ze bij aanvang enthousiast, er is altijd sprake van stagnatie. Eerst moeten ze de software leren gebruiken. De waan van de dag met alle drukte én ingesleten gewoontes kunnen maken dat iemand daarna minder gebruik maakt van OZOverbindzorg. Daarom bezoeken en bellen wij de gebruikers regelmatig, en stellen doelen: in de eerste zes weken moeten thuiszorgmedewerkers bijvoorbeeld tien cliënten invoeren.” Hobert benadrukt het belang van ‘simpel beginnen’. “Vergelijk het met Word. Je hoeft niet meteen álle mogelijkheden te kennen; je begint gewoon”, zegt ze. “Als het op dag één te moeilijk is, dan haken mensen af.” Oftewel: keep it simple!

Video
Bekijk de video over dit project op YouTube

Patiënten kiezen vooral voor effectiviteit behandeling

Patiënten met een depressie of angststoornis vallen na een succesvolle behandeling vaak terug in hun eerdere problematiek. Om dit te voorkomen zijn verschillende vormen van terugvalpreventie mogelijk. Aan welke vorm van terugvalpreventie geven patiënten zelf de voorkeur? Dat onderzocht GZ-psycholoog dr. Anna Muntingh (GGZ inGeest) binnen het programma Actieplan eHealth van ZonMw. De effectiviteit van een behandeling blijkt voor patiënten het zwaarst te wegen.

Portret Anna Muntingh

Ondersteuning bij psychische klachten via internet heeft de toekomst: het is vaak effectief, de zorg is laagdrempelig en de kosten zijn beperkt. Toch zijn er op dit moment weinig van zulke e-mental health-interventies in gebruik. Hoe willen patiënten zélf het liefst zorg krijgen? Wat bepaalt of ze wel of niet met e-health aan de slag gaan? Daarover is nog veel te weinig bekend. Dr. Anna Muntingh wilde daar verandering in brengen.

Lees verder in het artikel Patiënten kiezen vooral voor effectiviteit behandeling
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Ondersteuning bij psychische klachten via internet heeft de toekomst: het is vaak effectief, de zorg is laagdrempelig en de kosten zijn beperkt. Toch zijn er op dit moment weinig van zulke e-mental health-interventies in gebruik. Hoe willen patiënten zélf het liefst zorg krijgen? Wat bepaalt of ze wel of niet met e-health aan de slag gaan? Daarover is nog veel te weinig bekend. Dr. Anna Muntingh wilde daar verandering in brengen.

A of B?

“Via de poli’s voor angst en depressie van GGZ inGeest en de basis-GGZ van Prezens hebben we 109 mensen geworven die pas geleden hun behandeling voor angst of depressie hadden afgerond, of die in de afrondende fase zaten”, vertelt ze. “Deze mensen lieten we onder begeleiding vragenlijsten invullen over hun voorkeuren.” Dat ging op een bijzondere manier, namelijk met zogeheten discrete choice-experimenten. Muntingh verduidelijkt de aanpak door een vergelijking te maken met de aanschaf van een laptop. “Laptops verschillen op heel veel punten van elkaar, bijvoorbeeld de prijs, de grootte van het beeldscherm, het werkgeheugen, de batterijduur… Hoe bepaal je nou welke factoren voor de consument doorslaggevend zijn? Je kunt het mensen rechtstreeks vragen, maar dan antwoorden de meeste mensen dat ze álles belangrijk vinden. Daar heb je dus niet zoveel aan.” Bij het discrete choice experiment krijgen mensen een serie van keuzes voorgelegd, waarbij ze telkens uit twee producten of diensten moeten kiezen: A of B. Die keuzes verschillen dan op meerdere punten: ze hebben én een ander beeldschermformaat, én verschillende batterijduur, enzovoorts. “Als mensen een flink aantal keuzes hebben gemaakt, kun je door die keuzes achteraf te analyseren achterhalen welke factoren nou eigenlijk het meeste gewicht hebben”, zegt Muntingh.

Effectiviteit het belangrijkst

Met het discrete choice experiment kregen de patiënten in dit onderzoek 20 keuzes voorgelegd. Uit de analyse bleek dat patiënten het meest geïnteresseerd zijn in de effectiviteit van de behandeling, uitgedrukt als een (fictief) percentage verminderde kans op terugval. Verder gaven patiënten de voorkeur aan een regelmatig persoonlijk contact met de behandelaar, liefst eens in de drie maanden. “Opvallend is dat mensen liever standaard eens in de drie maanden langskomen dan dat ze zelf contact moeten opnemen als ze klachten hebben”, merkt Muntingh op. “Dat laatste is wel hoe het nu gaat.” Een derde belangrijke factor was de hoeveelheid tijd die mensen moesten investeren: liefst maximaal één uur per week. En ten slotte bestond er een voorkeur voor een persoonlijk preventieplan. “Patiënten hebben graag het gevoel dat de terugvalpreventie echt op hun persoon is toegespitst. Dat zou je kunnen bereiken door ze uit verschillende modules te laten kiezen.”

Vervolgproject

Wat nauwelijks meespeelde in de keuze, was de inhoud van de therapie – bijvoorbeeld cognitieve gedragstherapie of mindfullness, losse oefeningen of een vast programma. Het maakte mensen ook weinig uit of ze gebruik moesten maken van een zelfhulpboek, een app of een website. Al waren er wel wat verschillen binnen leeftijdscategorieën: veertigplussers hadden bijvoorbeeld een wat sterkere voorkeur voor een website. De volgende stap is nu om daadwerkelijk een e-health-interventie te ontwikkelen waarin de voorkeuren van de patiënten zijn meegenomen. “Daarvoor starten we nu een tweejarig vervolgproject. Dit is een samenwerking van VUmc, GGZ inGeest, Hogeschool InHolland en VU. ”

Patiënten goed informeren

Wat kunnen we leren van dit onderzoek? “Het is goed om te weten dat mensen niet snel uit zichzelf een voorkeur voor e-health hebben”, antwoordt de psycholoog. “Ze zijn meer geïnteresseerd in de effectiviteit van een aanpak dan in de vorm ervan. Het is daarom belangrijk om mensen te informeren over de effectiviteit van een programma. Dat is niet gebruikelijk in de geestelijke gezondheidszorg – ik doe het zelf ook nog te weinig. Daar moet dus verandering in komen. Verder is het ook belangrijk om de tijdsinvestering expliciet te noemen, en de interventie persoonlijk te maken. Niet omdat dat effectiever zou zijn, maar omdat patiënten zich dan meer betrokken voelen.”

Muntingh raadt andere e-health-onderzoekers zeker aan om patiënten te betrekken bij het ontwikkelen van e-health-interventies. “Je wilt ten slotte iets ontwikkelen waar de patiënt graag gebruik van maakt”, licht ze toe. De onderzoeksmethode met het discrete choice experiment biedt daartoe goede mogelijkheden. 

Meer grip voor borstkankerpatiënten

Als een patiënt de diagnose borstkanker krijgt, staat diens wereld op z’n kop. Naast alle emoties komt er ook nog een stortvloed aan informatie op de patiënt af. Dan is het vaak moeilijk om aan te geven wat wel of niet goed voelt, en om de juiste vragen te stellen. Borstkankervereniging Nederland (BVN) ontwikkelde de website B-bewust speciaal voor deze patiënten. Met steun van ZonMw is B-bewust inmiddels in 17 ziekenhuizen geïmplementeerd in de zorg.

Portret van Maaike Schuurman
“Veel borstkankerpatiënten zeggen, als ze terugkijken op de periode waarin ze net de diagnose kregen: had ik toen maar wat meer vragen gesteld. Dan had ik misschien andere keuzes gemaakt”

vertelt projectleider B-bewust Maaike Schuurman van Borstkankervereniging Nederland (BVN). “Daarom zette de BVN met steun van Stichting Pink Ribbon de website B-bewust op.” De website bevalt veel informatie over de ziekte en behandeling, maar de focus ligt op themalijsten met voorbeeldvragen die de patiënt kan gebruiken om zich voor te bereiden op gesprekken in het ziekenhuis. “Waar wil ik meer vanaf weten, en wat vind ik belangrijk? Patiënten kunnen uit een lange lijst voorbeeldvragen de vragen aanvinken die zij belangrijk vinden, en die vervolgens afdrukken om mee te nemen naar het ziekenhuis.”

Lees verder in het artikel meer grip voor borstkankerpatiënten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Jaarlijks ruim 17.000 nieuwe patiënten

Na drie jaar ontwikkeling, in nauwe samenwerking met patiënten én zorgverleners, was de website klaar. “Daarna wilden we natuurlijk dat zoveel mensen er gebruik van konden gaan maken”, licht Schuurman toe. Een aantal mensen wist al via-via van het bestaan van B-bewust. Zij maakten er gebruik van, maar dat was niet genoeg. “Er zijn elk jaar zeker 17.000 nieuwe borstkankerpatiënten in Nederland. De website past misschien niet bij iedereen, maar bij een groot deel van hen wel – het zou dus mooi zijn als iedereen ervan afwist.” Daar kwam het Actieplan eHealth van ZonMw in beeld. BVN schreef een implementatieplan dat werd gehonoreerd met een subsidie. 

Teamsessies in het ziekenhuis

De insteek was om de patiënten te bereiken via de ziekenhuizen waar ze behandeld werden. “We maakten een duidelijke patiëntenfolder waarmee zorgverleners hun patiënten op B-bewust konden wijzen. Daarin staat uitgelegd hoe patiënten met B-bewust in vijf stappen online een eigen checklist maken. Vrijwillige patient advocates - actieve leden van BVN – benaderden de ziekenhuizen om uitleg te geven over het project en de implementatie te begeleiden.” Deze patient advocates zijn hoogopgeleide vrouwen met een achtergrond in de zorg die zelf borstkanker hebben (gehad). “Het is een stevige functie, breder dan dit project, waarvoor ze ook getraind worden”, vertelt Schuurman. Bij de implementatie werden alle lagen van de zorg betrokken: van chirurgen en oncologen tot verpleegkundigen. “Een teamsessie werkt heel goed: dan kan iedereen meedenken, je geeft ruimte voor weerstand en collega’s gaan onderling de discussie aan. Dat is mooi en waardevol. In praktijk bleken vooral verpleegkundig specialisten mammacare en mamacare-verpleegkundigen de kartrekkers te zijn. Zij hebben ook het vaakst persoonlijk contact met de doelgroep en begrijpen daardoor waarom B-bewust zo welkom is.”

Gebruikmaken van relaties

Bij de selectie van ziekenhuizen werd gebruikgemaakt van bestaande relaties. Als eerste kwamen ziekenhuizen aan de beurt waar de patient advocates al een goede samenwerking mee hadden, of waar artsen en verpleegkundigen werken die in de redactieraad van blad B van BVN zitten. “Uiteindelijk hebben we in anderhalf jaar tijd zeventien ziekenhuizen zover gekregen om B-bewust te gebruiken. Je ziet wel verschillen per ziekenhuis. Het is natuurlijk makkelijk om een foldertje in de informatiemap te stoppen, maar we willen vooral dat zorgverleners de patiënten uitleggen hoe belangrijk het is om een gesprek goed voor te bereiden. Als de patiënt zelf vertelt wat zij of hij belangrijk vindt, dan is het makkelijker om maatwerk te leveren. De informatie van de arts zal dan beter afgestemd zijn op de behoefte. Een mooi voorbeeld van implementatie is dat van een ziekenhuis waarbij de mammaverpleegkundige, naast het laten zien van de folder, B-bewust even kort laat zien op de computer.” BVN heeft een aantal verschillende niveaus van implementatie gedefinieerd. “We willen de ziekenhuizen op een hoger niveau brengen, en natuurlijk nog meer ziekenhuizen benaderen.” Tot Schuurmans vreugde verspreidt het nieuws zich ook vanzelf. “Pas nog kreeg een van onze bestuursleden bijvoorbeeld onze folder in haar eigen ziekenhuis, terwijl wij dat ziekenhuis nog niet eens benaderd hadden.” 

Tips voor succesvolle implementatie

Welke bruikbare kennis heeft het project opgeleverd voor anderen die bezig zijn om e-health-toepassingen te implementeren in de zorg? “Zoals gezegd: betrek alle lagen bij de implementatie en maak gebruik van je netwerk. Wat we verder hebben geleerd, is dat goed implementeren gewoon tijd kost. Alle lagen in een ziekenhuizen moeten meebeslissen en het werkt het beste als een team zelf komt tot een werkwijze. Dat duurt vaak even.” Een ander leerpunt is het tijdig betrekken van degenen die de toepassing moeten gaan implementeren. “Wij stonden er pas later bij stil dat de website het beste via de ziekenhuizen onder de aandacht van patiënten konden brengen. We hebben zorgverleners wel betrokken bij de ontwikkeling. Nog beter was het geweest als zij meteen hadden kunnen meedenken over bekendmaking aan patiënten en naadloze aansluiting op de zorgpraktijk. Dan hadden we waarschijnlijk heel andere gesprekken gehad.”

De geleerde lessen over implementatie van B-bewust komen samen in twee heldere en inspirerende stappenplannen voor zorgverleners én patiëntenorganisaties. Beide stappenplannen en meer informatie over het project zijn te vinden op www.borstkanker.nl/lerenvanimplementeren.

Lastige implementatie van de Obli

Portret van Francis Konings

Om te voorkomen dat zelfstandig wonende, kwetsbare ouderen te weinig drinken, ontwikkelde de GGD West-Brabant een e-health-interventie. Een apparaat bij de oudere thuis – de Obli - houdt bij hoeveel de oudere drinkt, en geeft licht- en geluidssignalen af als dat te weinig is. Hoewel de testgroep erg enthousiast was over de Obli, is bredere implementatie ervan niet gelukt. Wat ging er mis en wat kunnen andere organisaties die e-health willen implementeren hiervan leren?

Uitdroging bij ouderen is een groot probleem. Zo’n 22% van de ouderen drinkt minder dan gewenst, en dat kan leiden tot schade aan hart en vaten, de nieren en de hersenen. De bloeddruk kan te laag worden, wat een risico vormt voor valpartijen, en ouderen kunnen verward raken. Veel mensen weten niet dat dorstgevoel vermindert als je ouder wordt, en vaak zien ouderen niet de noodzaak in van genoeg drinken.

Lees verder in het artikel 'Lastige implementatie van de Obli'
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

“In een brainstorm met meerdere partijen kwamen we daarom op een drink-herinnerings-apparaat”, vertelt projectleider Francis Konings (GGD West-Brabant). Het idee is aantrekkelijk: ’s ochtends zet de oudere of een mantelzorger een fles met water of een andere vloeistof in de Obli. De Obli herinnert de gebruiker er met kleuren en geluiden aan om te drinken. Een kopje koffie of thee? De oudere drukt op de plus-knop, zodat het apparaat ook dát registreert. “Het mooie is dat mantelzorgers en thuiszorgmedewerkers via internet een oogje in het zeil kunnen houden”, aldus Konings.

Uitbreiding naar grotere schaal

GGD West-Brabant ontwikkelde de Obli in samenwerking met het bedrijfje Fresh Idea Factory. “Samen met een huisartsenpraktijk testten we de Obli bij een groep kwetsbare ouderen. Daar kwamen zulke goede resultaten uit dat we de mogelijkheden voor implementatie verder zijn gaan onderzoeken, met steun van ZonMw.” Op kleine schaal werkte de Obli goed, maar hoe zorg je dat meer ouderen het apparaat gaan gebruiken? “We boden de Obli al te koop aan vanaf de website, maar we onderzochten ook wat ouderen zelf de fijnste manier vinden. Wie zou ze op het bestaan van de Obli moeten attenderen? En waar zouden ze hem willen kopen?” Konings en haar collega’s gebruikten een vragenlijst voor een steekproef onder ouderen in Breda. “Daarnaast nodigden we mensen uit voor een focusgroep van mensen die veel in contact komen met ouderen, zoals vrijwilligers of medewerkers van de thuiszorg.” De focusgroep dacht na over de belemmerende én verstevigende factoren voor het in gebruik nemen van de Obli. 

Te hoge prijs

Uit de steekproef en de sessies met de focusgroep bleek dat ouderen het best door mantelzorgers en vrijwilligers op de Obli geattendeerd konden worden. “Zij komen veel bij ouderen thuis en hebben de tijd om er aandacht aan te besteden”, licht Konings toe. Als verkoopkanaal noemden ze de thuiszorgwinkel. Een grote belemmering bij het implementeren bleek de hoge prijs: 99 euro voor een Obli zonder internetverbinding; 139 voor een variant mét. De kosten worden niet vergoed. “Het lukte wel om mensen bewust te maken van de noodzaak om meer te drinken, maar dan nog hadden ouderen het geld er vaak niet voor over.” Een bepaalde groep ouderen is ook huiverig voor e-health. “Zij vragen zich af: past dat wel bij mij?” De belemmeringen bleken zo groot, dat ZonMw en de GGD besloten het project niet verder voort te zetten.

Huisarts plezier doen

Hoe verklaart Konings het enthousiasme van de testgroep, terwijl er bij bredere implementatie zoveel belemmeringen bleken te bestaan? “De testgroep kreeg het apparaatje gratis”, antwoordt ze. “Ze gaven weliswaar aan er eventueel voor te willen betalen, maar in praktijk valt dat toch tegen. Bovendien werden deze ouderen persoonlijk benaderd door hun huisarts. Dat is een andere setting, de huisarts heeft autoriteit en misschien wilden ze hun huisarts ook een plezier doen.” 

Meer voorlichting geven

De Obli is nog wel te koop via de website, en huisartsen kunnen patiënten die te weinig drinken er nog steeds op attenderen. Maar tot brede uitrol is het niet gekomen. Konings vindt het jammer dat het zo gelopen is, maar benadrukt dat er ook heel veel van geleerd is. “We hadden ouderen eerder moeten betrekken bij de implementatie: sluit de Obli aan bij je behoeften en routines? En hoeveel geld zou je ervoor over hebben? Verder blijkt dat de kennis over het belang van voldoende vochtinname gering is, zowel onder ouderen als onder zorgverleners en mantelzorgers. Die kennis moet eerst verhoogd worden door de gezondheidsboodschappen een aantal keer te herhalen – pas als de doelgroep van de urgentie is overtuigd, moet je met zo’n oplossing komen.” In een ander project bleek de voorlichting aan ouderen en zorgverleners een groot succes. “We willen deze voorlichting nu op grotere schaal implementeren, vooral omdat hier grote behoefte blijkt te bestaan, ook bij huisartsenpraktijken.”

App helpt jongeren tijdens hun GGZ-behandeling

De app M’n Mattie is een digitale buddy die jongeren online begeleidt tijdens hun behandeltraject binnen de GGZ. De app is ontwikkeld in nauwe samenwerking met de eindgebruiker (co-creatie). Sinds 2015 is de app geïntegreerd onderdeel van de behandeling. 

‘Met de app M’n Mattie hebben jongeren meer regie over hun behandeltraject’, vertelt Irene Havermans, concerndirecteur Mondriaan Kinderen en Jeugdigen. ‘Wanneer een jongere met psychiatrische problemen voor het eerst in behandeling komt, komt er ontzettend veel op hem af. Zijn eerste gesprek bij ons is heel spannend.

"Als een jongere bij de bushalte staat en het moeilijk heeft, dan hoeft hij er geen papier bij te pakken maar kijkt hij gewoon in zijn telefoon"

Onze folders met informatie blijken jongeren niet of nauwelijks te lezen. Ze blijken behoefte te hebben aan concrete informatie op maat, passend bij het moment in de behandeling, en dat bieden we nu met M’n Mattie.’

Lees verder in het artikel 'App helpt jongeren tijdens hun GGZ-behandeling'
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Innovatieprijs

Het idee voor de app M’n Mattie is ontstaan vanuit de dagelijkse praktijk binnen Mondriaan en GGzE. Bijzonder is dat dit idee meteen kon worden uitgewerkt in het E-lab van GGzE. Havermans legt uit: ‘Behandelaars en jongeren die een concreet probleem uit de zorgpraktijk ervaren, kunnen een idee voor een oplossing hebben waar technologie bijdraagt. Dat idee leggen ze voor aan het E-lab waar een team van ontwerpers, software- en gamedevelopers, studenten en onderzoekers werkt. De techneuten werken dus samen met ervaringsdeskundigen (de jongeren bij ons in behandeling). In ons E-lab is zo’n idee van de werkvloer dus vertaald tot een eerste prototype van M’n Mattie. Met dit prototype konden we meteen al laten zien wat we wilden bereiken en daarmee hebben we in 2013 de CZ-zorginnovatieprijs gewonnen. Met dit geld konden we aan de slag met een professionele ontwikkelaar, het bedrijf Ivengi.’

Laagdrempelig

Havermans: ‘We wilden iets ontwikkelen dat op een eigentijdse manier past bij jongeren. Het resultaat is een app met zo weinig mogelijk tekst en veel filmpjes en plaatjes. In de app staan onder andere het hulpplan en een dagboekje en jongeren kunnen hun werkdoelen erin bijhouden. Als er iets verandert tijdens de behandeling, kunnen we nieuwe informatie geven die op dat moment relevant is. Een app is ook laagdrempelig. Als een jongere bijvoorbeeld bij de bushalte staat en het moeilijk heeft, dan hoeft hij niet papieren erbij te pakken maar kijkt hij gewoon in zijn telefoon. Altijd je hulpplan bij de hand hebben, stimuleert ook om actief betrokken te zijn bij je behandeling.’

Co-creatie

De ontwikkeling van de app heeft ongeveer drie jaar geduurd. ‘Het meeste werk zat niet in de technische ontwikkeling, maar in de fase daarna, hoe de app te gebruiken’, vertelt Havermans. ‘Wij geloven in co-creatie met de doelgroep. Alle betrokkenen hebben invloed op het proces en we werken van begin tot eind samen met de eindgebruiker. Co-creatie betekent dat je rekening met elkaar houdt en elkaar op basis van gelijkwaardigheid evenveel inspraak geeft. We hebben een hoop pizza-avondjes gehouden om te klankborden met jongeren die bij ons in behandeling waren.’

E-health hoort erbij

De implementatie van de app vergt wel inspanning. ‘De app alleen aanbieden is niet genoeg’, zegt Havermans. ‘Als de behandelaar niet samen met de jongere aan de slag gaat met de app, dan verliest het zijn waarde. Onze behandelaars zijn doorgaans enthousiast over de app, al vinden ze het wel lastig om er de tijd voor te vinden en zich de technologie eigen te maken. Toch is het ook een kwestie van mindset; beseffen als behandelaar dat e-health er gewoon bij hoort. Steeds meer van onze behandelaars werken nu met de app en andere e-health. De oude methode (folders) is ook geen optie meer. De app is nu het eerste middel.’

‘Onder jongeren zelf is de animo voor de app nog wisselend. Sommigen zijn meteen nieuwsgierig, anderen nog wat wantrouwig. Jongeren zijn weliswaar bedreven in technologie maar je moet dat ook niet overschatten. Ook zijn ze vaak heel kritisch over wat ze op hun telefoon zetten. Het gaat om investeren in de jongeren. Je moet ze aan de hand meenemen, geduld hebben en ruimte creëren in de veelheid van dingen die ze moeten.’

Denk groot maar begin klein 

‘Groot denken maar klein beginnen, dat was de kracht van ons project’, vertelt Havermans. ‘Tijdens onze ontwikkelsessies haalden we er vaak van alles bij, maar onze ontwikkelaar floot ons terug naar de basis. Je moet niet alles meteen willen doen, maar eerst ervaring opdoen met de basis. In de praktijk kom je er wel achter wat nog meer nodig is. Ook staken wij vanaf het allereerste begin veel energie in communicatie met alle behandelaars. Maar de grote groep bereik je pas als je iets concreets kan laten zien wat ze meteen kunnen toepassen.’

‘Met de app M’n Mattie hebben we veel geleerd, over hoe je zoiets integreert en communiceert. We hebben inmiddels ook andere e-health producten ontwikkeld, zoals de Eco-app. Ook zoeken we andere instellingen in de jeugdzorg die willen meedoen.’ Wat voor advies heeft Havermans voor andere zorgprofessionals? ‘Innoverende technologie moet vanuit een concrete behoefte van de doelgroep komen. Betrek dus altijd de eindgebruiker en kom samen tot een concept.’

video
Bekijk de video App m'n mattie op YouTube

Eco-app

Een andere app ontwikkeld in het E-lab van GGzE heet Eco-app. Het helpt jongeren om hun sociale netwerk in kaart te brengen om zo inzichtelijk te maken welke relaties je energie geven en welke je energie kosten. Dit soort opdrachten waren voorheen op papier maar digitaal maakt het makkelijker om daarin aanpassingen te zetten. 

Verbinding van e-health praktijk met onderwijs

E-health wordt steeds actueler, maar vaak is het zorgpersoneel hier nog onvoldoende bekend mee. Dit geldt ook voor de huisartspraktijk waar steeds meer wordt gevraagd van doktersassistenten. Daarom is nu een e-health onderwijsmodule in ontwikkeling speciaal voor de opleiding tot doktersassistent.

‘Met de onderwijsmodule willen we bereiken dat e-health de nieuwe lichting doktersassistenten niet afschrikt. We willen de studenten bekend maken met de verschillende e-health diensten maar ook vooral leren hoe ze deze kunnen inzetten in hun werk, op een handige en goede manier’, vertelt drs. Lisa van Blokland, e-health implementatiemanager bij PAZIO.

 

"Doktersassistenten zijn gewend om vragen van patiënten via de telefoon te beantwoorden"

PAZIO brengt meerdere e-health diensten samen in één digitaal platform en werkt samen met instellingen vanuit de zorg, het onderwijs en het sociale domein. Samen met ROC Midden Nederland en Gezondheidscentra Maarssenbroek ontwikkelt PAZIO de onderwijsmodule voor de doktersassistentopleiding. Het project loopt sinds begin 2014 en het is de bedoeling dat de module volledig gaat lopen in schooljaar 2016/2017.

PAZIO is een e-health initiatief ontstaan vanuit een denktank van het UMC Utrecht.

Lees verder in het artikel 'Verbinding van e-health praktijk met onderwijs'
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Barrières wegnemen

‘De praktijk van e-health overbrengen op de studenten is op het moment nog de grootste uitdaging’, legt Van Blokland uit. ‘Dat komt omdat de toepassing van e-health zelf nog volop in beweging is. Onderzoek en literatuur biedt veel informatie over wat e-health is, maar weinig over hoe je er mee omgaat. Er zijn meerdere methoden beschreven maar uit de praktijk blijkt dat de juiste aanpak nog niet is gevonden. Daarom doen wij mee aan het ZonMw-programma Actieplan E-health, om te kijken hoe we barrières tegen e-health kunnen wegnemen en hoe we e-health succesvol kunnen implementeren.’

Online communiceren

De e-health lessen voor de aankomende doktersassistenten beginnen bij de basis: wat is e-health en wat voor soorten bestaan er. Vervolgens gaat het vooral om e-health in de praktijk: welke invloed heeft e-health op de werkzaamheden en hoe moet de doktersassistente haar werk anders inrichten. Er is ook veel aandacht voor online communicatie. ‘Doktersassistenten zijn gewend om vragen van patiënten via de telefoon te beantwoorden’, vertelt Van Blokland. ‘Wanneer een patiënt zijn vraag online stelt, via een e-consult, dan vergt dat andere communicatievaardigheden van de assistent. Schrijven is immers anders dan praten. Denk aan gevoelige situaties, zoals een patiënt die online aangeeft dat hij bang is dat hij een SOA heeft, of je wilt een patiënt met overgewicht adviseren om meer te gaan bewegen. Aan de telefoon kan je door bijvoorbeeld intonaties nuance aanbrengen. Online een antwoord geven, vergt meer schrijfvaardigheid om die aandacht over te brengen.’ 

Dit project sluit goed aan bij de huidige verschuiving van de zorg van de tweede naar de eerstelijnszorg. Binnen de huisartspraktijk zie je daardoor ook een verschuiving. Er wordt steeds meer gevraagd van doktersassistenten en e-health kan uitkomst bieden. Allerlei praktische vragen kan de doktersassistent goed ondervangen met e-health diensten. Denk aan het online plannen van een afspraak (e-afspraak), online recepten bestellen (e-recept) en online praktische vragen stellen via e-consult. 

Verhalen uit de praktijk

Van Blokland geeft op het moment alleen nog gastlessen aan tweedejaars aankomende doktersassistenten. Deze lessen dienen als een pilot voor een uitgebreide onderwijsmodule gedurende de hele opleiding. ‘We hopen de module nog te verrijken met schrijfvaardigheidslessen. De uitdaging in ons project zit met name in de verbinding van de praktijk en het onderwijs. Daarom willen we ook in de lessen een doktersassistente verhalen en ervaringen laten vertellen uit die praktijk. Ook is het belangrijk dat de studenten echt kunnen oefenen met de verschillende e-health diensten. Dat vergt nog de nodige technische input maar we hopen dat voor elkaar te krijgen voor het schooljaar 2016/2017.’ 

En dan is er nog het traject van onderwijsaccreditaties die maken dat deze e-health lessen een wezenlijk onderdeel van de opleiding gaan vormen. Van Blokland: ‘Het precieze format van de e-healthmodule is nu nog niet duidelijk; dat zal dit najaar besproken worden. Het is wel de bedoeling dat de studenten in ieder jaar van hun opleiding een stukje e-health onderwijs meekrijgen.’

Visitekaartje

En wordt deze onderwijsmodule straks ook breder ingezet? Van Blokland: ‘In eerste instantie gaan we dit project ook inzetten voor nascholing en training van doktersassistenten die al aan het werk zijn. Ook is er interesse vanuit de huisartsen en praktijkondersteuners voor nascholing, maar daar zijn nog geen concrete stappen gezet.’ 

‘Ons huidige project heeft veel positieve reacties gekregen, zowel vanuit de huisartspraktijken als van docenten en studenten. De studenten willen graag leren over nieuwe ontwikkelingen. Net afgestudeerde doktersassistenten met enthousiasme en vaardigheden in e-health, fungeren als visitekaartjes voor e-health. Het helpt om de weerstand ertegen weg te nemen. De zorg moet qua informatietechnologie echt meegaan met haar tijd. Bovendien kan e-health extra kwaliteit aan de zorg geven en op den duur ook een efficiëntieslag geven. E-health gaat ook over dienstverlening aan de patiënt en het stimuleert de zelfredzaamheid van mensen.’

video
Bekijk de video 'Ehealth module voor opleiding tot doktersassistent' op YouTube

Over ZonMw

ZonMw stimuleert gezondheidsonderzoek en zorginnovatie. ZonMw financiert gezondheidsonderzoek en stimuleert het gebruik van de ontwikkelde kennis - om daarmee de zorg en gezondheid te verbeteren. ZonMw heeft als hoofdopdrachtgevers het ministerie van VWS en NWO.

Colofon Teksten Chrétienne Vuijst en Diana de Veld, Video draai.tv, Fotografie Marijn van Zanten, Sietske Raaijmakers, Peter Roek

Andere publicaties binnen deze serie

Gerelateerd programma

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website