Sommige mensen krijgen enige tijd na een hartinfarct levensbedreigende hartritmestoornissen. De behandelingen die daar nu voor bestaan, hebben allerlei nadelen en zijn onvoldoende effectief. Onderzoekers van Amsterdam UMC zijn bezig een gerichtere behandeling zonder bijwerkingen te ontwikkelen.

"Steeds meer mensen overleven een hartinfarct omdat er op steeds meer plaatsen defibrillators staan om te reanimeren", vertelt Ruben Coronel, universitair hoofdocent cardiologie bij de Amsterdam Universitaire Medische Centra. Hij is betrokken bij het onderzoeksproject GALANT (Genetic Ablation of Lethal Arrhythmia using miNimally invasive Targeting) dat gefinancierd is door het programma TAS van ZonMw.

Vijf à tien jaar na een hartinfarct kunnen patiënten opeens te maken krijgen met levensbedreigende hartritmestoornissen. Het normale verband tussen de cellen is verstoord, waardoor de belangrijke pompfunctie van het hart minder goed werkt en het risico op fatale ritmestoornissen toeneemt.

Bijwerkingen

Nu krijgen deze patiënten vaak medicijnen – antiaritmica – maar die hebben een groot nadeel. Coronel: “Deze middelen kunnen namelijk hartritmestoornissen verergeren.” Een andere behandeling is het wegbranden van hartweefsel – ablatietherapie – maar dat kan juist weer leiden tot een minder goede pompfunctie. Bovendien is deze therapie bij veel patiënten op de lange termijn niet effectief.

Andere patiënten die het geluk hebben een hartaanval te hebben overleefd, krijgen een ICD, een inwendige defibrillator. Dit apparaatje geeft een schok in het geval van een ritmestoornis. “Het is niet prettig en eigenlijk een paardenmiddel”, vertelt Coronel.

Het doel van de onderzoekers is dan ook om het risico op ritmestoornissen uiteindelijk zodanig te verminderen dat ICD-implantatie niet meer nodig is. Dit werk sluit direct aan bij de onderzoekslijn van cardioloog Geert Boink, een collega van Coronel. Naast zijn betrokkenheid bij het GALANT project, werkt hij aan de gentherapeutische behandeling van trage hartritmestoornissen, om uiteindelijk een alternatief te kunnen bieden voor elektronische pacemakers.

Genetisch materiaal inbrengen via een virus

Het GALANT onderzoek heeft bestaande methoden samengebracht, legt Coronel uit. Ten eerste wordt via een elektrocardiogram (ECG), ook wel hartfilmpje, heel precies aangewezen waar de behandeling nodig is. “Normaal krijg je bij een ECG 10 elektroden op je huid, wij gebruiken er tussen de 65 en 128. Zo kan je de resultaten veel preciezer aflezen.”

Vervolgens wordt op die specifieke plek in het hart genetisch materiaal ingebracht die de cellen zo moet veranderen dat de elektrische eigenschappen verbeteren. Coronel en Boink verwachten dat ze de genetische informatie uiteindelijk zo kunnen optimaliseren dat dit leidt tot een jarenlange bescherming tegen hartritmestoornissen.

Genetisch materiaal inbrengen gaat via de toediening van een zogenoemde ‘gentherapie vector’ (een niet-schadelijk virus) waarin het genetisch materiaal zit, vertelt Coronel – in het lab is dit een standaardmethode. “De vector is hier het middel om DNA de cel in te krijgen.”

Maatschappelijk probleem

Het GALANT-onderzoek is vier jaar geleden begonnen en loopt tot 1 januari 2022. Tot nu toe is alleen nog onderzoek gedaan op dieren, op een zo klein mogelijke schaal.

Het onderzoeksproject is een goed voorbeeld van ‘translationeel onderzoek’ – onderzoek in de fase tussen laboratorium en patiënt, om patiënten uiteindelijk de beste behandelingen te geven. Het onderzoek valt dan ook onder het thema ‘maatschappelijk verantwoord innoveren’ – uitvindingen die maatschappelijke verbeteringen teweegbrengen.

“Plotse hartdood is ook een maatschappelijk probleem”, licht Coronel toe. “Omdat het vaak mensen treft die nog in het arbeidsproces zitten, de kosten van behandeling hoog zijn en het ontwrichtende effect op de omstanders en op de familie enorm is.”

Patiëntgericht

De vraagstelling is ook zeer patiëntgericht, gaat Coronel verder. “Het gaat om een langdurige verandering van een eiwit in de cellen, uitsluitend op een plek in het hart die specifiek is voor een bepaalde patiënt. Bovendien hebben we zowel vóór als tijdens het onderzoek input gevraagd van patiënten. Zij hebben zeer nuttige suggesties gedaan die onze aanpak heeft verbeterd. We hebben ons einddoel nog niet bereikt, maar de hier behaalde tussentijdse resultaten zijn zeer hoopgevend.”

Tekst Thessa Lageman
Beeld dr. B.J. Boukens

© ZonMw 2022

Meer informatie

Relevante thema's

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website