Wie een actief leven leidt en veel sociale contacten heeft, leeft over het algemeen langer. Maar wat is de relatie tussen deze zogeheten sociale gezondheid en het ontstaan van dementie? En welke interventies kunnen je sociale gezondheid verbeteren? Prof. dr. Martien Kas, hoogleraar neurobiologie van gedrag bij de Rijksuniversiteit Groningen (RuG), hoopt over vier jaar een antwoord te hebben op deze vragen.

Waardevolle sociale contacten en zinvolle activiteiten, ofwel een goede ‘sociale gezondheid’, zijn voor mensen met dementie erg belangrijk. Door de ziekte trekken zij zich steeds meer terug uit het sociale leven, waardoor hun sociale gezondheid verslechtert. Maar er zijn ook aanwijzingen voor het omgekeerde verband, namelijk dat mensen met een slechtere sociale gezondheid meer kans hebben op het krijgen van dementie. Het is nog onduidelijk hoe dit precies zit. Prof. dr. Martien Kas hoopt daar dankzij een Memorabel-subsidie verandering in te brengen. ‘We weten dat er een relatie is tussen sociale terugtrekking en cognitieve achteruitgang, maar we weten nog niet wat de oorzaak en wat het gevolg is. Verandering van sociale relaties kan namelijk ook een vroege indicatie voor de ontwikkeling van dementie zijn.’

Portret van Prof. dr. Martien Kas

Kruisbestuiving

Het ontdekken van een causale relatie tussen veranderingen in sociale gezondheid en het ontstaan van dementie gebeurt op twee manieren. Zo worden onder andere ruim 3.500 hersenscans van ouderen bestudeerd, afkomstig uit het Rotterdamse ERGO (Erasmus Rotterdam Gezondheid Onderzoek). Kas: ‘De overige data uit dit langlopende bevolkingsonderzoek stellen ons in staat om terug te gaan in de tijd: in hoeverre is er sprake van verandering in de sociale omgeving van mensen die dementie hebben ontwikkeld, bijvoorbeeld door verlies van een partner of door minder sociale contacten? En in hoeverre leidde dit tot veranderingen in de hersenen en daarmee samenhangende cognitieve achteruitgang?’ Een andere manier om inzicht te krijgen in de causale relatie en de daarbij betrokken biologische processen is het gebruik van proefdiermodellen. In dit geval zijn dat muizen met een bepaalde mutatie, waardoor ze een verhoogd risico hebben op de verschijnselen van dementie. ‘De muizen leven in groepen of alleen. Op die manier kunnen we onderzoeken of de sociaal geïsoleerde dieren eerder verschijnselen van cognitieve achteruitgang vertonen dan de dieren die met elkaar samenleven. Zo hopen we aan te tonen dat de sociale omgeving kan bijdragen aan de versnelling van het ontstaan van dementie.’ Om vervolgens de overgang te maken naar mogelijke behandelingen in praktijk, wordt gekeken of meer beweging en meer sociale interactie het brein beter beschermt tegen de ontwikkeling van dementie. Daarbij maakt Kas gebruik van de kennis over het effect van verschillende beweegprogramma’s, dat prof. dr. Erik Scherder momenteel onderzoekt in het Memorabel-project ‘Train the sedentary brain’. Deze nieuwe inzichten moeten leiden tot een protocol voor preventieve behandelingen.

Ondergeschoven kindje

‘Sociale gezondheid is een relatief nieuw begrip in wetenschappelijk onderzoek’, vertelt Kas. ‘Dat betekent dat er veel verschillende opvattingen bestaan over wat het precies is, ook bij de partners waarmee wij in dit project samenwerken. De uitdaging is om tot een gemeenschappelijk concept te komen dat ook objectief meetbaar is.’ Hij hoopt dat de smartphone-app ‘BeHapp’ daar een rol in kan spelen. Deze app meet - uiteraard na toestemming van de gebruiker - alle inkomende en uitgaande communicatie. Het gaat dan niet om de inhoud van de berichten, maar wel om hoelang en hoe vaak iemand bijvoorbeeld WhatsApp gebruikt. Ook houdt de app bij waar iemand is en of dit een druk of rustig gebied is. Maar ook met BeHapp blijft het objectief meten van sociale gezondheid een uitdaging, geeft Kas toe. ‘De app registreert bijvoorbeeld niet het contact dat mensen ‘in real life’ met elkaar hebben. Ook kunnen we de kwaliteit van de interactie niet meten. De tijd zal dus moeten uitwijzen of smartphone-gebruik ons daadwerkelijk iets kan vertellen over sociale gezondheid.’ Kas, van oorsprong bioloog, richt zich in vrijwel al zijn onderzoek op sociale terugtrekking over ziektebeelden heen. ‘Dit verschijnsel komt niet alleen bij dementie voor, maar ook bij andere hersenziekten’, legt hij uit. ‘Zo zien we bij depressie dat meer sociale support kan leiden tot een aanzienlijke vermindering van klachten. Daarnaast is verminderde sociale interactie een vroeg kenmerk - soms al rond de puberteit - bij schizofrenie. De sociale omgeving lijkt dus wel degelijk een belangrijke rol te spelen in het cognitief functioneren, maar qua onderzoek is het nog een ondergeschoven kindje.’ Dit onderzoek is dan ook één van de eerste multidisciplinaire studies die biomedisch en sociaal onderzoek naar dementie combineert. Bovendien past het volgens de hoogleraar ook perfect in de ontwikkeling naar ‘personalised medicine’: een individuele behandeling op maat. ‘Omdat de symptomen van bepaalde hersenziekten met elkaar overeenkomen, ligt de focus steeds minder op de specifieke diagnose en steeds meer op wat er precies verandert in de hersenen. Hoe meer inzicht we krijgen in deze processen, hoe meer aanknopingspunten we hebben om op zoek te gaan naar behandelingen.’

Onderzoek: Social factors in cognitive decline and dementia: towards an early intervention approach
Projectleider: Prof. dr. M.J.H. Kas, Rijksuniversiteit Groningen
Samenwerkende partijen: Rijksuniversiteit Groningen, Erasmus MC, Radboudumc, Zilveren Kruis (Achmea), Janssen Pharmaceutica

Reactie van een betrokkene:

Dr. Pim Drinkenburg, Scientific Director & Fellow Neuroscience Research bij Janssen Pharmaceutica: ‘De zoektocht naar medicijnen voor de behandeling van dementie richt zich niet alleen op het verbeteren van met name mentale gezondheid, maar vooral op zogenaamde vroege interventies. Wanneer de ziekte zich eenmaal openbaart door geheugenproblemen, dan is er gedurende vele voorafgaande jaren vaak al aanzienlijke onderliggende hersenschade ontstaan. Het voorkomen of beperken van deze hersenschade moet dus zo vroeg mogelijk in het ziekteproces worden gestart. Vroege kenmerken, zoals verminderde sociale gezondheid, kunnen hiervoor cruciale markers leveren. Als we deze markers van de mens naar een diermodel kunnen vertalen, dan ontstaat de mogelijkheid om in diermodellen nieuwe medicijnen voor een zeer vroege behandeling te ontdekken. Dit is vooralsnog bij de mens een onmogelijke onderzoeksaanpak, omdat een diagnose dementie vaak pas in een laat stadium van de ziekte wordt gesteld.’

In samenwerking met:

ZonMw en Deltaplan Dementie geven de projecten van onderzoeks- en innovatieprogramma Memorabel een gezicht door de projectleiders aan het woord te laten. Zij vertellen over hun ambities, te verwachten resultaten en samenwerkingsverbanden. Wat draagt hun onderzoek bij aan de doelen van het Deltaplan Dementie? Het voorkomen en genezen van dementie, betere dementiezorg én een dementievriendelijke samenleving.

Bekijk de overige interviews

ZonMw stimuleert gezondheidsonderzoek en zorginnovatie. ZonMw financiert gezondheidsonderzoek en stimuleert het gebruik van de ontwikkelde kennis - om daarmee de zorg en gezondheid te verbeteren. ZonMw heeft als hoofdopdrachtgevers het ministerie van VWS en NWO.

Colofon Interview D-taled.nl: Dieuwke de Boer, Fotografie Sannaz Moghaddem

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website