De opstapeling van de schadelijke eiwitten amyloïd-bèta en tau in de hersenen is kenmerkend voor de ziekte van Alzheimer. Onderzoek naar medicijnen die amyloïd-bèta uit het brein kunnen verwijderen, leverde tot nu toe nog geen effectieve behandeling op. Is tau een betere kanshebber? We vragen het aan dr. Rik Ossenkoppele, neurowetenschapper bij het VUmc.

Waar het eiwit amyloïd-bèta al langer kan worden aangetoond in bijvoorbeeld hersenvocht, is het pas sinds enkele jaren mogelijk om het eiwit tau zichtbaar te maken in de hersenen. Het Memorabel-onderzoek van dr. Rik Ossenkoppele en prof. dr. Bart van Berckel, dat zij samen met het Erasmus MC en UMC Utrecht uitvoeren, was in 2014 dan ook één van de eerste PET-studies ter wereld die zich op dit eiwit focuste. De eerste vraag waarover zijn onderzoeksgroep zich buigt, is hoe je tau op een betrouwbare manier kunt meten in de hersenen van iemand met Alzheimer. ‘We doen dit door een tracer - een licht radioactief stofje - via een infuus in de arm toe te dienen bij aanvang van een PET-scan’, vertelt Ossenkoppele. ‘De PET-scanner vangt vervolgens het signaal van de tracer op, die aan het tau-eiwit in de hersenen bindt. Op die manier kunnen we zien waar en hoeveel tau zich in het brein bevindt.’ Het verschil tussen de PET-scans van mensen met Alzheimer en gezonde mensen is groot: bij mensen met Alzheimer is het tau-eiwit duidelijk te zien, terwijl het beeld bij gezonde mensen subtieler is.

Portret van dr. Rik Ossenkoppele

Inzicht in beloop

Op de scan is ook is te zien waar het eiwit zich precies bevindt in het brein. Dat geeft het stellen van een diagnose met behulp van deze tracer een belangrijk voordeel ten opzichte van bijvoorbeeld het meten van de hoeveelheid tau en amyloïd-bèta in het hersenvocht. ‘Dit laatste geeft informatie over de aanwezigheid van schadelijke eiwitten in de hersenen, maar zegt verder niets over waar ze zich bevinden’, legt Ossenkoppele uit. De tracer lijkt bovendien een verband te laten zien tussen de hoeveelheid en locatie van het tau-eiwit en de achteruitgang in cognitie, het afsterven van zenuwcellen en afname van hersenweefsel. Heeft iemand moeite met spreken? Dan is de verwachting dat er meer tau te zien zal zijn in het hersennetwerk dat verantwoordelijk is voor taal. Ossenkoppele vertelt dat er inmiddels ook een vervolgonderzoek is gestart binnen Memorabel: het in kaart brengen van de opstapeling van het tau-eiwit over tijd. Dit betekent dat de mensen die meededen aan de eerste studie opnieuw worden uitgenodigd voor een PET-scan. Op die manier hopen de onderzoekers inzicht te krijgen in het beloop van de ziekte, bijvoorbeeld of een grote hoeveelheid tau in het brein tot snellere achteruitgang leidt.

Filosofische insteek

De studie van Ossenkoppele heeft ook een filosofische component: onderzoekers van Twente University kijken namelijk naar het perspectief van patiënten. De Twentse onderzoekers ontdekten dat er eigenlijk geen eenduidig beeld bestaat: sommige mensen vinden een vroege en meer nauwkeurige diagnose prettig, anderen niet. ‘De laatste jaren is er een enorme aanwas van nieuwe technologieën, waardoor de diagnose steeds eerder kan worden gesteld. Als wetenschapper ga je er vanuit dat dit positief is, maar het is natuurlijk maar de vraag of patiënten hier altijd even enthousiast over zijn. Ontwikkelingen gaan soms sneller dan mensen op prijs stellen en bovendien zijn de behandelingen die je kunt bieden nog steeds beperkt’, vertelt Ossenkoppele. Verandert dit behandelperspectief nog met de komst van tau PET? ‘Ik verwacht dat de toepassing van deze techniek nog wel even op zich laat wachten’, zegt Ossenkoppele. ‘Om een vergelijking te maken: het duurde ongeveer 10 jaar voor amyloïd-bèta PET in de klinische praktijk werd toegepast. Dat lijkt mij voor tau PET ook een redelijk scenario.’

Beter doelwit?

Beschouwt de neurowetenschapper tau dan als een beter doelwit voor de behandeling van Alzheimer dan amyloïd-bèta? ‘Ik denk dat ze elkaar aanvullen. Het aantonen van amyloïd-bèta is zeer waardevol, maar het nadeel is dat de kans op de aanwezigheid van dit eiwit in de hersenen groot is: een kwart van de 70-plussers en meer dan de helft van de 85-plussers heeft amyloïd-bèta in het brein. Bovendien zit er soms wel 15 tot 20 jaar tussen het begin van de opstapeling en het krijgen van klachten, waardoor je bij oudere deelnemers aan onderzoek veel positieve testuitslagen krijgt (het vinden van het eiwit, red.). Bij tau is dit interval kleiner en dat maakt tau PET een specifiekere techniek.’ Volgens Ossenkoppele zou een belangrijke praktische toepassing niet alleen kunnen liggen in het stellen van vroege diagnoses, maar ook in klinische trials (onderzoek naar de effectiviteit van nieuwe medicijnen). ‘Op dit moment zijn er enkele middelen in onderzoek die tau pathologie mogelijk uit de hersenen kunnen verwijderen. De tracer en PET-scan kunnen in klinische trials worden ingezet voor het selecteren van de juiste groep patiënten of om inzicht te geven in de hoeveelheid tau voor en na een behandeling met dit soort medicijnen.’

Dr. Janne Papma, assistant professor bij het Erasmus MC:

‘Samen met prof. dr. John van Swieten en dr. Harro Seelaar werk ik aan één specifiek onderdeel van dit project. We nemen PET-scans met deze tau-tracer af bij mensen die drager zijn van een genetische mutatie waardoor het zeker is dat zij op enig moment in hun leven frontotemporale dementie zullen ontwikkelen. Deze groep wordt in een andere studie van het Erasmus MC gevolgd om meer inzicht te krijgen in hoe deze ziekte zich ontwikkelt. We hopen met deze tracer te ontdekken of zij al tau in de hersenen hebben, nog voordat ze de eerste symptomen van de ziekte vertonen. De resultaten moeten nog worden geanalyseerd, maar uit andere kleine studies blijkt dat de tracer mogelijk alleen bindt aan één specifieke vorm van het tau-eiwit, die gepaard gaat met een specifieke genetische mutatie. Met andere woorden: we verwachten dat deze tracer niet voor alle mensen met frontotemporale dementie zal werken. Op dit moment worden er ook andere tracers ontwikkeld, die hopelijk meer dan één specifieke kluwen van het eiwit tau laten zien op een PET-scan. De impact van een goede tracer zou enorm zijn voor onderzoek naar frontotemporale dementie, omdat dit ons in staat zou stellen om in kaart te brengen wanneer in het ziekteproces de ophoping van tau precies begint. Bovendien leidt het tot betere en vroegere diagnostiek. En als laatste is de tracer waardevol voor toekomstige medicijnstudies, omdat je hiermee precies kunt bepalen of een potentieel medicijn daadwerkelijk in staat is om het tau-eiwit uit de hersenen te verwijderen.’ 

Onderzoek: TAU IMAGING WITH [18F]T807 PET: THE NEW FRONTIER

Projectleider: Dr. R. Ossenkoppele, VU medisch centrum (VUmc)

Samenwerkende partijen: VUmc, Erasmus MC, UMC Utrecht, University of Twente, Avid Radiopharmaceuticals

In samenwerking met:

ZonMw en Deltaplan Dementie geven de projecten van onderzoeks- en innovatieprogramma Memorabel een gezicht door de projectleiders aan het woord te laten. Zij vertellen over hun ambities, te verwachten resultaten en samenwerkingsverbanden. Wat draagt hun onderzoek bij aan de doelen van het Deltaplan Dementie? Het voorkomen en genezen van dementie, betere dementiezorg én een dementievriendelijke samenleving.

Bekijk de overige interviews

ZonMw stimuleert gezondheidsonderzoek en zorginnovatie. ZonMw financiert gezondheidsonderzoek en stimuleert het gebruik van de ontwikkelde kennis - om daarmee de zorg en gezondheid te verbeteren. ZonMw heeft als hoofdopdrachtgevers het ministerie van VWS en NWO.

Colofon Interview D-taled.nl: Dieuwke de Boer, Fotografie Leo Duijvestijn

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website