Volgens onderzoeker Marian van der Klein, is een speciale aanpak voor mensen met een niet-westerse achtergrond niet nodig, zolang de begeleiding maar echt maatwerk blijft. De uitgangsposities van mensen in de bijstand verschillen daarvoor te weinig. Al ziet ze nog wel een enkel extra aandachtspunt.

Van der Klein komt tot deze conclusie na twee jaar lang onderzoek gedaan te hebben in Enschede. ‘Het streven in Enschede is om elke klant maatwerk te geven, zonder aanzien des persoons of zonder onderscheid op basis van achtergrond’, vertelt de onderzoeker van het Verwey-Jonker Instituut. ‘Iedereen krijgt een zelfde soort ondersteuning, waarbij natuurlijk wel per persoon wordt gekeken wat iemand nodig heeft om weer werk te kunnen vinden. De onderzoekers wilden weten hoe dat in de praktijk uitpakt. Zouden er ondanks deze gelijke aanpak toch geen verschillen ontstaan tussen mensen met en zonder migratieachtergrond? Welnu, we konden ze gerust stellen. De gemeente boekt met deze aanpak voor alle doelgroepen een zelfde resultaat.’

Drie aanbevelingen voor gemeenten

  • Als gemeenten daadwerkelijk maatwerk leveren, blijken bij dezelfde uitgangspositie de geboekte resultaten op het gebied van uitstroom uit de bijstand gelijk voor mensen met of zonder een niet-westerse migratieachtergrond. Daar is geen extra doelgroepenbeleid voor nodig. Een uitzondering daarop geldt voor statushouders.
  • Wel is het in de begeleiding van mensen met een migratieachtergrond van belang aandacht te besteden aan mogelijke problemen met discriminatie op de arbeidsmarkt.
  • Intervisie met casuïstiekbesprekingen is en blijft belangrijk voor de ontwikkeling van klantmanagers. Zij hebben hier ook behoefte aan.

Geen verschil in uitstroom

De onderzoekers maakten onderscheid tussen mensen met en zonder niet westerse migratieachtergrond. En ze bekeken statushouders (nieuwkomers) en oudkomers los van elkaar. Voor alle groepen bleek dat ongeveer 15% van hen na 1 jaar begeleiding uitstroomde naar werk. ‘Eigenlijk had ik wel verwacht dat er weinig verschil zou zijn’, zegt Tjitske Algra, een van de teamleiders in Enschede die nauw betrokken was bij het onderzoek. ‘Maar het was toch erg fijn om dat objectief en onafhankelijk bevestigd te krijgen.’

Maatwerk

‘Enschede kent geen doelgroepenbeleid’, vervolgt Algra. ‘Dus geen aparte klantmanagers voor bepaalde doelgroepen, geen specifieke vorm van begeleiding voor mensen met een migratieachtergrond. Alleen voor statushouders doen we dat sinds kort wel als gevolg van nieuwe wetgeving, maar dat is buiten dit onderzoek gebleven. Wat wij doen is maatwerk. En natuurlijk zul je iemand die de taal niet goed spreekt dan een taalcursus aanbieden, maar ook autochtonen die bijvoorbeeld niet goed kunnen lezen of schrijven, zul je daar zo nodig op moeten bijscholen.’

Over het onderzoek

De onderzoekers gebruikten de video stimulated recall methode om met klanten en professionals hun interactie in de spreekkamer na te bespreken. Daarnaast werden twee kwantitatieve onderzoeken uitgevoerd. In het cross-sectionele onderzoek keken de onderzoekers of migratieachtergrond in Enschede een rol speelt bij het diagnoseadvies voor wat betreft de ingeschatte afstand tot de arbeidsmarkt (kort of lang). In het longitudinale onderzoek volgden de onderzoekers Nederlanders met en zonder migratieachtergrond een jaar lang om het effect van de Enschedese aanpak te analyseren. Zo keken ze naar effecten op de uitstroom naar betaald werk, op werk gerelateerde activiteiten, op ervaren gezondheid, sociaal netwerk en zelfredzaamheid.

Het onderzoek is gefinancierd vanuit het ZonMw-programma Vakkundig aan het werk.

Groepen lijken op elkaar

Uit het onderzoek blijkt ook dat niet alleen de einduitkomsten van de begeleiding voor alle doelgroepen gelijk is, ook in de uitgangspositie waren de verschillen tussen de groepen klein. Zo gaven uitkeringsgerechtigden zonder migratieachtergrond hun gezondheid een zesje. Mensen met een migratieachtergrond zaten daar dichtbij: een 5,8 gemiddeld. Ook bij de indeling die klantmanagers maken op basis van de kansen van iemand op de arbeidsmarkt, was er geen verschil. Het percentage dat werd ingeschat op ‘heeft een lange afstand tot de arbeidsmarkt’ was onder mensen met wel of geen migratieachtergrond gelijk. Leeftijd was hier een veel belangrijkere indicator: jonge mensen worden sneller bij de ‘korte afstand’ ingedeeld.

‘Kijk je strikt naar de groep uitkeringsgerechtigden dan zie je bijna geen verschillen tussen mensen met en zonder migratieachtergrond’

Moeite met meedoen

Verschil was er wel enigszins bij de vraag of de werkzoekenden het moeilijk vinden om aan de maatschappij mee te doen. Bij oudkomers met een niet-westerse achtergrond ligt dit percentage op 45%; bij de groep zonder migratieachtergrond is dit 38%. Het zich geestelijk of lichamelijk niet goed voelen was in beide groepen de belangrijkste reden daarvoor. Onder statushouders lag dit wel anders. Bij hen vinkt 75% aan dat ze het moeilijk vinden om in de samenleving te participeren. De reden daarvoor is vooral dat zij de taal niet goed beheersen.

Marian van der Klein

Marian van der Klein, senior-onderzoeker bij het Verwey-Jonker Instituut: ‘Wat wij zeggen is eigenlijk dat je op groepsniveau geen onderscheid hoeft te maken tussen mensen met en zonder migratieachtergrond – met uitzondering van nieuwkomers. Dus geen speciale behandeling, maar wel kijken wat iemand nodig heeft. En dat kan best te maken hebben met zijn of haar migratieachtergrond. Of met iemands leeftijd. Of met de gezinssituatie.’

Goed kijken wat iemand nodig heeft

Wat zeggen deze cijfers volgens Marian van der Klein? ‘Vaak wordt ervan uitgegaan dat een migratieachtergrond erg bepalend is voor het al dan niet vinden van werk. Er zijn dan ook veel initiatieven die de vaardigheden van niet-westerse bijstandsklanten proberen bij te spijkeren. Die insteek blijkt niet altijd even productief. Natuurlijk zijn er verschillen tussen mensen met een migratieachtergrond, vergeleken met de hele populatie van mensen die geen migratieachtergrond heeft. Maar kijk je strikt naar de groep uitkeringsgerechtigden dan zie je nauwelijks verschillen tussen mensen met en zonder migratieachtergrond.’

Extra investeren voor iedereen

‘Dat betekent dat je daar ook niet speciale begeleiding op hoeft te zetten’, vervolgt Van der Klein. ‘Alle groepen kunnen wat dat betreft extra begeleiding gebruiken. Zolang je maar maatwerk blijft leveren. Natuurlijk moet je wel goed kijken naar wat een individu nodig heeft, ook als dat te maken heeft met iemands culturele achtergrond. Of om het maar eens anders te zeggen: Als je extra gaat investeren in begeleiding naar werk – en ik denk dat we dat zeker moeten doen – doe dat dan net zo goed voor witte mensen als voor zwarte mensen.’

Tjitske Algra

Tjitske Algra, teamleider Werk en Inkomen in Enschede is enthousiast over het onderzoek, maar waarschuwt wel dat het best veel tijd kost. ‘Toen ik het eindverslag las, dacht ik “Goh, dit zegt echt wel iets”. Dus ja, onderzoek is zinvol. Maar je bent er wel een tijdje zoet mee. En ondertussen gaat het werk gewoon door en veranderen er allerlei zaken. Maar we hebben er echt van geleerd.’

Last van discriminatie

Toch is er één groot verschil tussen mensen met en zonder een migratieachtergrond, dat ook de Enschedese klantmanagers aan het denken heeft gezet. Teamleider Algra: ‘Uit het onderzoek bleek duidelijk dat mensen met een niet-westerse achtergrond last hebben van discriminatie op de arbeidsmarkt. Eigenlijk weet iedereen dat wel, maar we deden er vrijwel niets mee. Dat hebben we nu veranderd. In gesprekken praten we nu over discriminatie. We vragen naar ervaringen en bespreken hoe mensen daarmee om kunnen gaan. Dat is echt veranderd door dit onderzoek.’

Intervisie is nodig

Een tweede verandering in Enschede is de aandacht voor intervisie. Tijdens het onderzoek werden gesprekken tussen klanten en klantmanagers op beeld opgenomen en daarna door onderzoekers en klantmanagers geanalyseerd. ‘Dat leverde zoveel stof tot nadenken op, dat we ons realiseerden dat we eigenlijk te weinig aan intervisie doen’, zegt Algra. ‘Nu doen we dat weer veel meer en werken we ook met casuïstiekbesprekingen. Weliswaar nemen we gesprekken niet op, maar nu met corona, zitten onze mensen thuis en lopen alle contacten via digitale kanalen. Daardoor kunnen we met elkaar meekijken om van elkaar te leren. Uiteraard met toestemming van de klant.’

Vakkundig aan het werk

Om gemeenten beter op weg te kunnen helpen, voert ZonMw op verzoek van het ministerie van SZW en in nauwe samenwerking met Divosa, SAM, VNG, UWV en VWS het kennisprogramma Vakkundig aan het werk uit. Dit programma levert kennis op voor gemeenten om de dienstverlening op het terrein van Werk en Inkomen te verbeteren. Onder meer over effectieve aanpakken om vergunninghouders te ondersteunen in het krijgen en behouden van regulier betaald werk.

Meer weten?

Colofon

Tekst: Marcel Senten

ZonMw stimuleert gezondheidsonderzoek en zorginnovatie. ZonMw financiert gezondheidsonderzoek en stimuleert het gebruik van de ontwikkelde kennis - om daarmee de zorg en gezondheid te verbeteren. ZonMw heeft als hoofdopdrachtgevers het ministerie van VWS en NWO.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website