Wat kan ZonMw doen om jongerenparticipatie (nog) beter in te bedden? Onderzoekers en ervaringsdeskundigen denken mee en geven tips. Programmamanager Jeugd Jojanneke Hillmann en Jolanda Huizer, coördinator Participatie ZonMw-breed, reageren op deze aanbevelingen.

Een verkenning op het gebied van jongereparticipatie door Bente van Oort, bij onder andere onderzoeksteam PenCRU in Exeter, dat ouders en kinderen met een neurologische beperking betrekt in een zogenaamde ‘Family Faculty’, heeft geleid tot verschillende aanbevelingen, in de vorm van 10 do’s en don’ts. Lees hier meer over de opzet en uitkomsten van haar onderzoek.

In het tweede deel van dit drieluik illustreren senior-onderzoeker Marjolijn Ketelaar en ervaringsdeskundigen Tim Knoote en Anneke de Weerd de do’s en don’ts met voorbeelden die zij zelf meemaakten. In dit derde en laatste deel denken zij mee over de rol van ZonMw om jongerenparticipatie (nog) vanzelfsprekender te maken.

Jojanneke Hillmann, programmamanager Jeugd, en Jolanda Huizer, coördinator participatie ZonMw Breed, reageren. Sommige aanbevelingen herkennen zij, of daar wordt zelfs al aan gewerkt. Ook zien ze dat er al veel gebeurt en in beweging is.

Aanbeveling 1: Meer flexibiliteit op deadlines en inhoud

Onderzoeker Marjolijn Ketelaar noemt flexibiliteit als belangrijk punt om participatie van jongeren optimaal in te kunnen bedden in een onderzoek: ‘Inzet van jongeren vraagt om een flexibele insteek van de subsidiegever. Het gaat om timing en die is niet altijd van te voren helemaal vast te leggen. Soms duren dingen gewoon langer, dus strakke deadlines werken dan niet goed.’

Ook qua inhoud zou zij het prettig vinden als er enige flexibiliteit is ten aanzien van ingediende plannen. ‘Inbreng van ervaringsdeskundigen zorgt er soms voor dat een onderzoek een andere kant opgaat dan van tevoren gedacht. Ruimte om daar gaandeweg nog in bij te sturen is dus essentieel.’ Tot dusver is haar ervaring dat ze daar met de subsidiegever altijd wel uitkomt: ‘Open communicatie is daarbij van groot belang.’

Herkenbaar spanningsveld

Programmamanager binnen het cluster Jeugd Jojanneke Hillmann noemt dit ‘een herkenbaar spanningsveld’. ‘Participatie vraagt om vertrekken vanuit de ervaring en kennis van de doelgroep. Ik snap dat daar flexibiliteit voor nodig is. Maar ZonMw heeft nou eenmaal te maken met vastomlijnde procedures rondom de subsidieoproepen. Binnen die kaders proberen we zoveel mogelijk mee te bewegen en ruimte te bieden. Ook wordt hiermee geëxperimenteerd.’

Bijvoorbeeld door het honoreren van projecten die werken met een methode van participatief actieonderzoek. ‘Daarbij stelt de onderzoeker de vraag gedurende een traject op een cyclische manier bij in co-creatie met de doelgroep. Dat vraagt een heel open houding, waarbij niet van tevoren duidelijk is waar je op uitkomt, maar wel welke stappen (cycli) je wilt zetten. We zoeken naar manieren om beoordeling van zo’n opzet beter in te richten, wellicht door het inbouwen van ‘go - no go’ momenten. Dat is soms nog een zoektocht, niet alleen voor ZonMw maar ook voor aanvragers, die vaak onvoldoende bekend zijn met deze methoden.’

Eerlijke manier

Jolanda Huizer, coördinator Participatie ZonMw-breed, benadrukt het verschil tussen het voortraject - als het gaat om een aanvraag indienen en de beoordeling ervan - en lopende projecten. ‘In de aanvraagprocedure kunnen we minder flexibel zijn, want de spelregels moeten nou eenmaal voor iedereen hetzelfde zijn, bijvoorbeeld als het gaat om de looptijd. Dat is de meest eerlijke manier. Maar wanneer een project eenmaal loopt, snappen we dat je in interactie met elkaar tot nieuwe inzichten kunt komen. Daar proberen we flexibel mee om te gaan. Dit alles neemt niet weg dat je de betrokkenheid van de jongeren bij de start al goed moet hebben geregeld.’

Hillmann vult aan: ‘We proberen aan de voorkant de spelregels zo te formuleren dat we op kwaliteit en relevantie kunnen toetsen, maar dat we ook recht doen aan de flexibiliteit die participatie nou eenmaal vraagt.’ Huizer ziet nog een ander punt van aandacht: ‘De vorm waarin mensen hun plannen aanbieden, is nu schriftelijk. Maar misschien kunnen jongeren een idee wel veel beter op een andere manier presenteren, bijvoorbeeld in een video of een gesprek. We denken na over hoe deze vormen een aanvulling op of onderdeel kunnen zijn van een aanvraag.’

Foto van Jojanneke Hillmann en Jolanda Huizer
Jojanneke Hillmann (links) en Jolanda Huizer (rechts)

Aanbeveling 2: Budget voor stimulering van samenwerking

Tijdens haar onderzoek naar jongeren met cerebrale parese merkte Marjolein Ketelaar hoe groot het belang was van een gelijkwaardige relatie met de jongeren. Om die relatie op te bouwen, vroeg een investering. In tijd en in geld. ‘Om te laten zien dat we inbreng van jongeren echt van grote waarde vinden, is wel budget nodig. Dat zijn geen grote bedragen, maar kleine potjes die – soms al in het voortraject - kunnen worden ingezet om de samenwerking te stimuleren en de relatie die daarvoor nodig is op te bouwen.’

Hillmann benadrukt dat er in vrijwel alle programma’s inmiddels ruimte is om in de begroting een vergoeding op te nemen voor ervaringsdeskundigen. Maar om – zoals Ketelaar voorstelt – al in het voortraject samenwerking te financieren, ligt lastiger. ‘Dan wordt het een soort financiële prikkel. Terwijl het vooral vanuit de motivatie van de onderzoeker zelf moet komen om met jongeren een zo goed mogelijk gezamenlijk voorstel te schrijven. En omdat hierdoor het voorstel relevanter wordt en beter bij de praktijk aansluit, levert de investering hoe dan ook iets op.’

Maar, zo vult Huizer aan, de praktijk is wél dat dat veel tijd kost. En dat onderzoekers en ervaringsdeskundigen daarom vaak toch pas echt bij elkaar gaan zitten wanneer een onderzoek is gehonoreerd. ‘Ze gaan niet bij elke aanvraag weer om de tafel, ik snap dat probleem. Alleen ik denk niet dat dit soort stimuleringspotjes binnen lopende subsidietrajecten de oplossing zijn. Ik zie wel een mogelijkheid voor ZonMw om hiernaast meer in te zetten op het stimuleren van samenwerking of het vormen van een netwerk. Daar is al ruimte voor in sommige programma’s.’

Aanbeveling 3: Meer kennisdeling en verbinding van wat er al is

Volgens onderzoeker Bente van Oort staat de meerwaarde van participatie inmiddels niet meer ter discussie, maar wordt het vaak nog wel gezien als iets ‘bijzonders’ dat ‘moeilijk te organiseren’ is. Kennisdeling zou volgens haar kunnen helpen om hier een bredere blik op te ontwikkelen. ‘Er zijn zoveel goede voorbeelden en initiatieven. Hoe kunnen we deze nog beter delen en verbinden, binnen en buiten ZonMw? Ik denk dat ZonMw daaraan kan bijdragen door meer kennis te delen en meer te verbinden wat er al is.’

Ook Marjolijn Ketelaar ziet de kracht van meer verspreiding van wat er al gebeurt: ‘Deel meer goede voorbeelden of creëer een pool van mensen om mee te sparren. Dat kan de beweging versnellen en de kennis ook buiten het cluster beter verspreiden.’

Herkenbaar

Hillmann en Huizer noemen dit een herkenbaar punt. Daarom wordt er binnen het cluster Jeugd nu een subsidieoproep voorbereid voor het stimuleren van een Leernetwerk Participatief Onderzoek. Daarin zullen precies de door Van Oort en Ketelaar aangestipte punten aan bod komen, vertelt Hillmann. ‘Binnen het netwerk kunnen onderzoekers en jongeren ervaringen met elkaar delen. Ad hoc is er nu wel kennisdeling, maar we willen dit graag meer structureel vormgeven zodat je die kennis ook kunt terugvinden. Wordt aan gewerkt dus!’

Huizer vult aan: ‘Binnen ZonMw is de laatste jaren al veel aandacht gekomen voor kennisdeling, omdat we zien hoe dit de impact van een project kan vergroten. Intern is er ook behoefte aan het delen van ervaringen. We zijn een grote organisatie waarbij we niet altijd even scherp hebben wat er in alle programma’s precies gebeurt. Daar moeten we nog een slag in slaan.’

Aanbeveling 4: Meer inzet van jongeren binnen ZonMw

Ervaringsdeskundige Tim Knoote zou het interessant vinden als er binnen ZonMw zelf meer ruimte zou zijn voor jongeren om hun kwaliteiten in te zetten. ‘Misschien op het gebied van advies geven over subsidies, of het meedenken over uitvoering van projecten. Maar het kan ook heel hands-on door bijvoorbeeld teksten te herschrijven, zodat ze jongeren meer aanspreken.’

Deze aanbeveling noemen Huizer en Hillmann wat minder herkenbaar. Want, zo stelt Hillmann, jongeren zijn al op heel veel vlaken betrokken. ‘Ze zijn betrokken bij het opstellen van programma’s en subsidieoproepen, bij beoordeling van aanvragen (in commissies en panels) en denken mee over verspreiding van resultaten. Ook is er aandacht voor het richten van onze teksten op jongeren. Maar deze opmerking helpt ons wel om nog beter te kijken hoe we dit verder kunnen versterken.’

Huizer vult aan: ‘Participatie is eigenlijk geen goed begrip. Dat komt toch over als ‘wij mogen meedoen’, terwijl ervaringsdeskundigen het voortouw willen nemen. Als we die gedachtelijn van Tim doortrekken, kunnen we daar nog wel stappen in zetten.’ Hillmann knikt instemmend. ‘Nu hebben jongeren een grote stem, maar wat zou er gebeuren als zij helemaal in de lead zijn en de prioriteiten of programmalijn bepalen? Dat zijn wel ideeën waar we mee spelen.’

Heb je vragen? Neem dan contact op met participatie@zonmw.nl.

© ZonMw 2021

Auteur Marieke Kessel

Foto Jolanda Huizer Ries van Wendel de Joode

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website