Claudicatio intermittens, ofwel ‘etalagebenen’, treft bijna 40.000 mensen per jaar. De meest efficiënte behandeling is al jaren bekend: lopen onder begeleiding van een gespecialiseerde fysiotherapeut. Toch verwijzen huisartsen hun patiënten nog vaak door naar de vaatchirurg.

Chronisch ZorgNet vroeg zich af hoe dat beter kon. Zij bedachten een aanpak, ZonMw financierde het. En het bleek succesvol. Steffie Spruijt, landelijk coördinator en Maik Sliepen, projectmedewerker Chronisch ZorgNet, vertellen hoe dat in zijn werk ging.

Portret Steffie Spruijt

Steffie Spruijt
Landelijk coördinator Chronisch Zorgnet

Portret Maik Sliepen

Maik Sliepen
Projectmedewerker Chronisch Zorgnet

Allereerst: waarom is dotteren in de richtlijnen ooit vervangen door gesuperviseerde looptherapie (GLT)?

Maik: “Door jarenlang wetenschappelijk onderzoek naar het effect van gesuperviseerde looptherapie bij ‘etalagebenen’ weten we dat deze aanpak het beste is. Dotteren is symptoombestrijding, gesuperviseerde looptherapie werkt ook preventief. Bovendien is het goedkoper, minder ingrijpend en heeft een langdurig effect. Na vijf jaar heeft 83% van de patiënten die looptherapie kreeg geen nieuwe hulp nodig gehad.”

Toch heeft het lang geduurd voordat GLT gangbaar werd. Hoe kan dat?

Steffie: “Dat heeft met heel veel aspecten te maken, het is een ingewikkeld proces. Gesuperviseerde looptherapie staat al sinds 2014 als eerste keuze beschreven in de richtlijn voor huisartsen. Maar dan loop je tegen de praktische aspecten aan. Het begint bij de vergoeding. Eerst werd alleen dotteren vanuit het basispakket vergoed, de gesuperviseerde looptherapie niet. Dan kiezen patiënten eerder voor een operatie. Dat hebben we gelukkig kunnen veranderen. Fysiotherapie door een Chronisch ZorgNet-therapeut wordt sinds 2017 vanuit het basispakket vergoed.

En toen werd gesuperviseerde looptherapie wel standaard?

Maik: “Niet helemaal. Je hebt ook nog te maken met de wil van patiënten: looptherapie is een langdurig en soms pijnlijk traject, maar uiteindelijk beter voor de patiënt. Behandelaars moeten dan wel overtuigd zijn van het nut en dit ook overbrengen. Dit kunnen ze doen door goede informatie te geven en direct door te verwijzen naar de Chronisch ZorgNet-therapeut. Dat gebeurt steeds vaker, maar we zagen door analyse van verwijzingen dat vooral de huisarts in veel gevallen nog steeds eerst naar de vaatchirurg verwees. En die verwees vervolgens door naar de fysiotherapeut.”

Hoe kan dat dan?

Steffie: “Een huisarts krijgt maar een paar patiënten per jaar met deze klachten, dus die heeft de kennis niet altijd meteen paraat. Bovendien was er de twijfel: wat nu als ik een patiënt naar de fysiotherapeut verwijs en deze raakt uiteindelijk een been kwijt, omdat ze beter gedotterd had kunnen worden? Een huisarts wil uiteraard het beste voor zijn of haar patiënt. Daarom is het zo belangrijk het wetenschappelijke bewijs goed over te brengen. Zodat de artsen weten dat gesuperviseerde looptherapie wel degelijk de beste aanpak is. En ze een gevoel van veiligheid krijgen. Ze weten dan immers ook dat Chronisch ZorgNet therapeuten de patiënt naar hen terugstuurt bij plotselinge verergering van klachten.

Dus huisartsen moesten beter geïnformeerd worden. En toen dachten jullie..?

Steffie: “Aan scholing. Een mailtje is niet genoeg; de kennis moest binnenkomen, landen. Door de mogelijkheid van de subsidie konden we scholing van huisartsen als optie overwegen. Dat is als netwerk van fysiotherapeuten misschien niet het meest vanzelfsprekend, maar we zouden er wel ons doel mee kunnen bereiken: de beste zorg voor patiënten met chronische aandoeningen.”

Maik: “Dus zetten we dat op, samen met het Nederlands Huisartsen Genootschap en de Hart- en Vaatziekten Huisartsen Advies Groep. Gespecialiseerde kaderhuisartsen geven les aan kleine groepen huisartsen en praktijkondersteuners, die we bereiken via de honderd regionale zorggroepen in Nederland. Hoewel je per keer maar een relatief kleine groep mensen bereikt, verwachtten we dat de kennis zich als een olievlek zou verspreiden.”

Zien jullie al effect van de scholing?

Maik: “Nog niet cijfermatig, maar dat is simpelweg omdat informatie over zorgdeclaraties pas na twee jaar vrijgegeven wordt. De reacties van de geschoolde huisartsen en praktijkondersteuners is in ieder geval hoopvol. Voorafgaand aan de scholing gaf slechts 15% van de artsen aan dat ze looptherapie bij een gespecialiseerde therapeut als eerste behandeling aanbevolen. Na de scholing bleek 80% van de artsen bereid gesuperviseerde looptherapie als eerste behandeling te adviseren. Over een paar jaar, als de gegevens van de afgelopen periode zijn vrijgekomen, kunnen we dan kijken of dit ook daadwerkelijk het geval is.”

Denken jullie dat dat goedkomt?

Maik: “Jazeker. We merken dat er nog steeds vraag is naar de scholing. Dat idee van de olievlek bleek te kloppen; de kennis verspreidt zich nog steeds. Meer en meer zorggroepen horen ervan en melden zich aan. Het is mooi om te zien dat het effect zo langdurig is. Daarom faciliteren we de scholing nog steeds, zelfs nu de subsidie afgelopen is.”

En wat brengt de toekomst?

Maik: “Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat, ook in geval van andere chronische aandoeningen, zoals COPD en hartaandoeningen, bewegen en leefstijlbegeleiding mogelijk een goede oplossing zijn. De onderliggende problemen zijn namelijk hetzelfde als bij ‘etalagebenen’. En wij weten nu, mede dankzij de subsidies van ZonMw, heel goed hoe je zorgt dat dergelijke kennis daadwerkelijk gebruikt gaat worden. Dat gaat Chronisch ZorgNet nu dus aanpakken.”


Auteur: Corina Koolen
Publicatiedatum: 11 december 2020

Meer informatie

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website