Op diverse gebieden is er steeds meer kennis over de invloed van sekse- en genderverschillen op gezondheid en zorg. Volgens onderzoekers Margreet de Looze en Sanne Peters is er in korte tijd veel bereikt, maar tegelijkertijd duurt het lang voordat nieuwe inzichten indalen. ‘In veel onderzoek wordt nog steeds gevraagd of je een jongen of een meisje bent’, zegt De Looze.

Als je eenmaal ziet dat sekse en gender grote invloed hebben op gezondheid en zorg, laat dat inzicht je niet meer los. Dit is althans de ervaring van onderzoekers Sanne Peters en Margreet de Looze, die beiden voor hun onderzoek subsidie kregen uit het Kennisprogramma Gender en gezondheid.
‘Het onderzoek op dit gebied is veel professioneler geworden’, zegt Sanne Peters. ‘Steeds meer onderzoekers, beleidmakers en professionals beseffen dat onze resultaten tot betere gezondheidsuitkomsten kunnen leiden, én tot betere zorg. Tien jaar geleden was dit nog ondenkbaar, toen had zulk onderzoek echt nog een feministisch imago.’
Én, benadrukt Peters, die resultaten komen niet alleen ten goede aan vrouwen. ‘Als vrouwen winnen, hoeft dat niet automatisch te betekenen dat mannen verliezen.’

portret sanne peters

Wie is Sanne Peters?

Sanne Peters is universitair hoofddocent epidemiologie bij het Universitair Medisch Centrum Utrecht en Senior Lecturer bij Imperial College London. Haar onderzoek richt zich op het identificeren, kwantificeren, en verklaren van man-vrouwverschillen bij cardiovasculaire ziekten en diabetes. Ze heeft meer dan 60 studies gepubliceerd op dit thema, is (hoofd)onderzoeker van verschillende projecten naar man-vrouw verschillen en is Speciality Chief Editor van de 'Sex and Gender Differences in Disease' sectie in Frontiers in Global Women's Health.

Wie is Margreet de Looze?

Margreet de Looze is universitair docent aan de afdeling Interdisciplinaire Sociale Wetenschap aan de Universiteit Utrecht. Haar onderzoek richt zich op veranderingen in de gezondheid en het welzijn van jongeren in Europa en Noord-Amerika sinds het begin van de 21e eeuw. Daarbij richt ze zich in het bijzonder op (veranderingen in) sekseverschillen in de mentale gezondheid, het middelengebruik, seksuele gedrag en internetgebruik van jongeren. De Looze maakt onderdeel uit van het internationale Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) onderzoek en is hierbinnen voorzitter van de focusgroep over sekseverschillen en gendergelijkheid. Daarnaast werkt ze nauw samen met de Wereldgezondheidsorganisatie (Regional Office for Europe) op het gebied van gezondheids- en welzijnsbevordering.

Jongen of meisje

Peters is als epidemioloog verbonden aan het Julius Centrum van het UMCU en aan The George Institute for Global Health in Londen. De laatste jaren doet zij vooral onderzoek naar man-vrouwverschillen binnen cardiovasculaire ziekten en diabetes. Met subsidie uit het Gender en Gezondheid-programma onderzoekt zij waarom diabetes bij vrouwen een hoger additioneel risico geeft op hart- en vaatziekten dan bij mannen (zie kader). ‘Bij mij gaat het vooral om de invloed van sekse, dat wil zeggen de biologische en fysiologische verschillen tussen mannen en vrouwen’.
Margreet de Looze kijkt daarnaast ook naar gender: verschillen in sociaal geconstrueerde rollen, gedrag, uitingen en identiteiten van meisjes, vrouwen, jongens, mannen en genderdiverse mensen. De Looze participeert al jaren in het zogeheten HBSC-onderzoek (Health Behavior in School-aged Children), een vergelijkend onderzoek tussen 50 landen naar de gezondheid en het welzijn van schoolgaande kinderen (zie kader). Dit onderzoek startte in Nederland in 2001 en wordt elke 4 jaar herhaald. Met de kennis van nu noemt De Looze het ongelooflijk dat sekse- en genderverschillen lange tijd geen zelfstandig thema zijn geweest binnen het onderzoek.
‘In de internationale  vragenlijst was tot voorkort slechts één vraag over sekse opgenomen, namelijk ‘ben je een jongen of een meisje’. Bovendien is deze vraag vaak louter als controlevraag gebruikt, vergelijkbaar met leeftijd en sociaaleconomische status. Er ligt dus niet de focus op.’

Genderidentiteit

Dit kán toch niet meer?, vraagt De Looze retorisch. ‘In het HBSC-onderzoek werken we samen met de WHO. Deze wereldwijde organisatie publiceert regelmatig rapporten over gezondheidsverschillen tussen mannen en vrouwen. Ik vond het niet meer te verkopen dat we in dit vergelijkende onderzoek onder scholieren geen aparte sekse- en genderanalyses deden.’
Daarnaast, vervolgt De Looze, moest er kritisch gekeken worden naar de manier waarop sekseverschillen gemeten worden. ‘Met de vraag "ben je een jongen of een meisje"sluit je bepaalde jongeren uit: jongeren die het gevoel hebben niet binnen deze hokjes te passen.’

Mede uit onvrede hierover nam De Looze in 2015 het initiatief om een genderwerkgroep op te richten. Binnen de HSBC studie startte zij een onderzoekslijn over sekse en gender.
‘In de volgende vragenlijst willen we scholieren niet meer vragen of ze een jongen of een meisje zijn, maar maken we een specifieke splitsing tussen sekse en gender. Zo vragen we wat hun geslacht is bij geboorte en zullen we vragen over genderidentiteit opnemen.’

Deze genderidentiteit willen de onderzoekers apart gaan meten, maar ze zoeken nog hoe ze dit precies gaan doen. Volgens de Looze is dit ingewikkeld, onder andere omdat er in de deelnemende landen verschillende ethische dilemma’s spelen. ‘Onderzoeksteams uit Turkije geven bijvoorbeeld aan dat ze hun financiering zullen verliezen als er vragen over genderidentiteit opgenomen worden, terwijl onderzoeksteams uit andere landen juist vertellen dat ze hun geld dreigen kwijt te raken als ze géén onderscheid tussen sekse en gender zullen maken. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor Zweden. Kortom, er is nog geen internationale standaard voor genderidentiteit, zeker niet als het gaat om kinderen en jongeren in de schoolgaande leeftijd.’

Continuüm

Peters herkent dit. Ter illustratie noemt ze een voorbeeld op haar eigen terrein, het onderzoek naar cardiovasculaire ziekten. ‘De schaal van ‘mannelijk’ naar ‘vrouwelijk’ is een continuüm. In het algemeen hebben mannen een hoger risico op een cardiovasculaire aandoening dan vrouwen. Maar vrouwen die meer ‘mannelijk’ zijn, hebben weer een hoger risico dan vrouwen die meer vrouwelijk zijn.’
Regelmatig beoordeelt Peters subsidieaanvragen van andere onderzoekers. Verheugd constateert ze dat sekse en gender steeds vaker in de onderzoeksopzet ‘meegenomen worden’. Toch blijft vooral de uitwerking van genderissues vaak nog mager. ‘Dit komt ook door een gebrek aan methoden om gender écht goed te vatten. De wil bij onderzoekers is er, maar financiers van onderzoek beseffen vaak nog onvoldoende dat het geld kost om dit goed te doen.’

Helaas blijven ook veel COVID-19 studies op dit punt achter, merkte Peters. In samenwerking met collega’s in Australië evalueerde ze of nationale coronastatistieken uitgesplitst waren naar geslacht. ‘Tot mijn verbazing zag ik dat het geslacht meestal niet is gerapporteerd in de openbare statistieken, ook niet in rijke landen waar deze gegevens beschikbaar zouden moeten zijn.’
Daarnaast signaleert Peters een gebrek aan vrouwelijk leiderschap (‘wereldwijd zijn het vooral mannen die bepalen hoe we met deze pandemie omgaan’) én aan vrouwelijke onderzoekers. ‘In de eerste maanden van de pandemie is slechts 25 tot 30 procent van de eerste of laatste auteurs vrouw.’ 

Dagelijkse zorg

Beide onderzoekers herkennen een belangrijke conclusie uit de Eindevaluatie van het programma Gender en gezondheid, namelijk dat de kennisachterstand over sekse- en genderverschillen op diverse gebieden verkleind is. Bekende voorbeelden zijn onderzoeksuitkomsten op het gebied van hart- en vaatziekten, migraine, reuma, angst en depressie. Maar daarmee zijn we er nog niet, vinden zowel Peters als De Looze. ‘We weten nu dat er belangrijke verschillen zijn, maar we weten nog niet goed waarom. Komt dat door biologische, genetische, sociaaleconomische, culturele aspecten? En hoe kunnen we die verschillen adresseren?, vraagt Peters. Bovendien, vult De Looze aan, betekent meer kennis van zulke sekse- en genderverschillen nog geen verbetering van de dagelijkse zorg voor cliënten en patiënten. ‘Kijk naar suïcide: we weten dat vrouwen vaker een poging tot suïcide doen dan mannen, maar ook dat bij mannen een geslaagde suïcide vaker voorkomt. Nog steeds is suïcide bij een man vaak een complete verrassing voor zijn omgeving. Familieleden én professionals denken bij mannen eerder aan een alcoholprobleem, en zien een onderliggende depressie over het hoofd.’

Vertaalslag

Ook in opleidingen en bij het opstellen van richtlijnen schort het nog aan die vertaalslag van ‘wat we weten naar wat we doen’. Zo is er nog maar weinig van de nieuw verworven kennis in het studiemateriaal voor professionals terecht gekomen. Ook richtlijnen worden niet of nauwelijks op de nieuwste kennis over sekse en gender geactualiseerd.
Máár, vervolgt Peters, dit laatste is ook wel te begrijpen. Nieuwe kennis komt immers vooral in een richtlijn terecht als professionals er iets mee kunnen.
‘En geslacht zelf kan je nou eenmaal niet zomaar veranderen. Dus ter verdediging van de richtlijnenmakers: wij als onderzoekers moeten dus concrete aanbevelingen aanleveren over hoe man-vrouwverschillen in richtlijnen vertaald moeten worden. Wát moet er dan anders, een andere behandeling, zo ja, welke dan? Een ander medicijn? Er is nog heel veel werk te doen.’

Intersectionaliteit

Beide onderzoekers dringen ook aan op meer onderzoek met een intersectionele benadering. Dit is breder dan alleen sekse en gender. Het gaat dan namelijk niet alleen om de verschillende dimensies van diversiteit (zoals gender, etniciteit, leeftijd, inkomen, opleiding), maar ook om de wisselwerking tussen deze verschillende dimensies en de vraag hoe dit kan leiden tot (gezondheids)verschillen tussen en binnen groepen mensen. Kortom, het gaat om de complexe samenhang, wisselwerking én interactie tussen verschillende kenmerken van diversiteit en sociale ongelijkheid.

In het programma Gender en gezondheid heeft ZonMw het gebruik van een intersectioneel perspectief bewust gestimuleerd. Zo hebben onderzoekers een nieuwe analyse uitgevoerd van diepte-interviews onder mensen met een progressieve neuromusculaire ziekten, dit keer met een intersectioneel perspectief. Het betreft een onderzoek naar arbeids- en onderzoeksparticipatie. Uit de resultaten blijkt dat intersecties tussen gender, disability, klasse en leeftijd een rol spelen bij de ervaren carrièremogelijkheden van mensen met een spierziekte. Mensen die de diagnose van hun spierziekte op jonge leeftijd krijgen, bleken te kiezen voor een beroep waar het hebben van een spierziekte minder een belemmering vormt, of ze krijgen nooit een (betaalde) carrière. Daarnaast bleek dat doordat vrouwen vaker in onderwijs of zorg werkzaam zijn, zij meer beperking van hun spierziekte voelen doordat dit vaak fysiek zware beroepen zijn. Ook laten de resultaten zien dat hoogopgeleide mannen vaker dan vrouwen of lager opgeleiden een werkomgeving en type werk hebben dat flexibiliteit mogelijk maakt qua bijvoorbeeld thuiswerken of reisafstand, waardoor zij het vaak makkelijker volhielden te blijven werken.

Op basis van deze studie is een praktische handleiding  gemaakt voor secundaire intersectionele analyses in kwalitatief gezondheidsonderzoek. In deze handleiding komen de theoretische achtergronden maar vooral de uitvoering aan bod: hoe kan intersectionaliteit in analyses worden toegepast? De handleiding wordt ook vertaald in het Engels.

Lees meer over sekse en gender in onderzoek

Colofon Tekst Gonny ten Haaft Foto Sanne Peters Aline bouma Foto Margreet de Looze eigen beeld

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website