Het Kennisprogramma Gender en Gezondheid leverde waardevolle nieuwe kennis op over sekse- en genderverschillen. Hoe zorgen we ervoor dat deze thema’s ook na de afronding van het Kennisprogramma Gender en Gezondheid hoog op kennisagenda’s blijven staan? En hoe zorgen we ervoor dat deze kennis zijn weg vindt naar de dagelijkse zorgpraktijk?

‘Met uitzondering van de cardiologie zijn er nog maar weinig vakgebieden waarin sekse en gender expliciet aan de orde komen. Ze worden wel aangedragen als belangrijke thema’s, maar raken vervolgens ondergesneeuwd door andere thema’s die er ook toe doen.’ Aan het woord is Teus van Barneveld, directeur van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten. ‘De bewustwording over het belang van sekse- en genderverschillen in onderzoek en zorg zijn er wel degelijk, maar is er nog een flinke inspanning nodig om deze onderwerpen een permanent onderdeel te laten worden van de verschillende kennisagenda’s van medisch specialisten, zorgprofessionals en patiëntenorganisaties.’ Rebecca Abma-Schouten, hoofd Onderzoek & Zorginnovatie bij de Hartstichting, is het met Van Barneveld eens. ‘Het gaat om ontzettend complexe vraagstukken, onder andere op het gebied van psychische gezondheid, geneesmiddelen, hart- en vaatziekten, participatie, veroudering, enzovoort. De discussie is vaak of dit op zichzelf staande onderwerpen zijn, of juist overkoepelende thema’s van een kennisagenda moeten worden. Zelf werk ik in een vakgebied – hart- en vaatziekten – waar al veel aandacht is voor sekse- en genderverschillen. Juist omdat ze als overkoepelende thema’s worden beschouwd loop je soms ook het risico dat ze uiteindelijk minder prioriteit krijgen dan ze eigenlijk verdienen. Het is dan ook helemaal niet zo vanzelfsprekend dat ze hoog op de kennisagenda komen te staan.’

Wie is Rebecca Abma-Schouten?

Rebecca Abma-Schouten is manager Onderzoek & Zorginnovatie bij de Hartstichting en was als initiatiefnemer betrokken bij het ontwikkelen van de onderzoeksagenda voor hart- en vaatziekten. De onderzoeksagenda is in 2014 opgesteld in samenwerking met wetenschappers, maatschappelijke organisaties en patiënten en in 2020 geëvalueerd en herijkt. De onderzoeksagenda vormt de leidraad voor de financiering van onderzoek. Hart- en vaatziekten bij vrouwen is er als één van de vijf belangrijkste thema’s benoemd. En met succes: behalve dat er baanbrekend onderzoek gedaan is naar dit onderwerp, is er ook landelijk veel aandacht voor geweest en zijn veel patiënten zich er bewust van geworden dat hart- en vaatziekten zich bij mannen en vrouwen verschillend uiten en dat het belangrijk is om daar bijvoorbeeld bij de huisarts gericht naar te vragen. De Hartstichting investeert jaarlijks zo’n 15 tot 20 miljoen euro in onderzoek naar hart- en vaatziekten.

Portret Teus van Barneveld

Wie is Teus van Barneveld?

Teus van Barneveld is directeur van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten. Het Kennisinstituut adviseert en ondersteunt wetenschappelijke verenigingen bij de ontwikkeling en toepassing van kwaliteitsinstrumenten en (geïntegreerd) kwaliteitsbeleid. Denk bijvoorbeeld aan richtlijnen, indicatoren, kwaliteitsvisitatie, Iiteratuurreviews en het ontwikkelen van een samenhangend kwaliteitsbeleid. Het Kennisinstituut biedt ook trainingen en coaching voor het ontwikkelen en toepassen van kwaliteitsinstrumenten.

Groei vasthouden

Meer aandacht voor sekse- en genderverschillen begint bij meer bewustwording. Het goede nieuws is dat het Kennisprogramma Gender en Gezondheid een positieve rol speelde in het creëren van meer bewustwording. Teus: ‘Veel suggesties voor onderzoek en daarmee ook de aandacht voor sekse- en genderverschillen worden aangedragen door de achterban. Ook daar moet dus voldoende awareness zijn over het belang van deze verschillen. Die bewustwording groeit gestaag, maar we moeten blijven doorpakken om die groei vast te houden.’ Het benoemen van het probleem is volgens Abma-Schouten een belangrijke eerste stap. ‘Als we vervolgens in staat zijn om deze thema’s op kennisagenda’s te verankeren, dan borgen we dat het in ieder geval voor een jaar of vijf onderdeel blijft van het prioriteitenlijstje. Dat kan onderzoekers aansporen om beter na te denken over de rol die bijvoorbeeld man-vrouwverschillen spelen in hun studies.’ Ze erkent dat dit lastig kan zijn. ‘Vaak zijn de verwachte verschillen tussen mannen en vrouwen niet dusdanig groot dat het mogelijk is om de onderzoekspopulatie zo uit te breiden zodat je voor beide groepen apart geldige uitspraken kan doen. Maar ook dat loont het zeker om op voorhand goed na te denken over mogelijke verschillen en hoe dit te onderzoeken.’ Ze noemt een recent afgeronde klinische studie naar een medicijn tegen coronair lijden als voorbeeld. De resultaten zijn positief en zullen invloed hebben op medische richtlijnen. ‘In deze studie waren veel meer mannen dan vrouwen geïncludeerd. Doordat er minder vrouwen hebben meegedaan is het lastig om de werking en bijwerkingen in beide groepen apart te bestuderen. De aantallen zijn dan al snel te klein voor goede analyses’, aldus Abma-Schouten. Ze noemt het een zeer positieve ontwikkeling dat de onderzoekers dit publiekelijk bespreken en nadenken over hoe ze dit anders kunnen aanpakken. ‘Door aan de voorkant iets meer tijd en geld te investeren kunnen we veel sneller betere onderzoeksresultaten behalen die ook beter zullen landen’, zegt Van Barneveld. Dat geldt overigens niet alleen voor onderzoek. Ook bij het opstellen van handreikingen en richtlijnen is dedicated expertise nodig. ‘Als je bij het bepalen van de belangrijkste onderwerpen voor revisie of doorontwikkeling van handreikingen en richtlijnen niet expliciet vraagt of sekse en gender een rol spelen, dan komen ze ook niet als knelpunten naar boven. Behalve als er in een bepaald veld goede onderzoekers of maatschappelijke partijen zijn die deze thema’s naar voren brengen’, aldus Van Barneveld.

Concrete voorbeelden

De resultaten uit het Kennisprogramma Gender en Gezondheid vinden nog maar mondjesmaat hun weg naar de praktijk. Hoe komt dat? Abma-Schouten: ‘De implementatie van kennis is wellicht de grootste uitdaging in onderzoek, ongeacht het onderwerp. Resultaten uit onderzoek naar complexe onderwerpen, zoals gender- en sekseverschillen, zijn vaak nóg moeilijker te implementeren. Dit gaat ook verder dan alleen constateren dát er een verschil is. Hoe ga je vervolgens in de praktijk met die kennis om?’ Van Barneveld pleit voor het meer onder de aandacht brengen van bijvoorbeeld man-vrouwverschillen bij uiteenlopende beroepsgroepen aan de hand van concrete voorbeelden. Professionals kunnen hier dan rekening mee houden in de bejegening en behandeling van hun patiënten. ‘Zo kunnen mannen de neiging hebben hun problemen wat meer te verbloemen als ze tegenover een mannelijke arts zitten. Ook weten we dat mannen en vrouwen andere bijwerkingen kunnen krijgen van hetzelfde medicijn. De kunst is om al die nieuwe kennis zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de inzet van persoonsgerichte zorg in de spreekkamer. Want daar draait het uiteindelijk allemaal om.’ Door de groeiende belangstelling voor sekse- en genderverschillen denkt Van Barneveld dat de praktijk op een gegeven moment ook zelf zal vragen naar informatie over sekse- en genderverschillen. ‘Dat is precies wat je wil bereiken om verandering tot stand te brengen’, voegt hij daaraan toe.

Dedicated aandacht

Zowel Van Barneveld als Abma-Schouten vinden dat het Kennisprogramma Gender en Gezondheid een vervolg moet krijgen. Dankzij het programma zijn intensieve samenwerkingsverbanden vormgegeven die beroeps- en maatschappelijke verenigingen kunnen helpen om invloed uit te oefenen op de wetenschap en daar ook agendasettend in te zijn. Abma-Schouten noemt de cardiologie als een mooi voorbeeld van de hoeveelheid aandacht die sekse- en genderverschillen zouden moeten krijgen. ‘Maar een nadeel van koploper zijn is dat de discussie binnen ons vakgebied het grootst is en de verandering in de praktijk dus ook het meest weerbarstig. De zaadjes die de afgelopen jaren zijn geplant moeten de kans krijgen om verder te groeien. We moeten ons daarbij niet alleen maar op de implementatie focussen, omdat er nog steeds behoefte is aan veel meer kennis over man-vrouwverschillen bij hart- en vaatziekten. Ook kan ik me voorstellen dat er meer dedicated aandacht komt voor sekse en gender in de beoordeling en financiering van onderzoek. Het zou mooi zijn als er aan het einde van het volgende programma geen enkel project meer wordt gefinancierd waarover achteraf spijt ontstaat omdat er niet meer geld is uitgegeven aan het doen van extra analyses of omdat er geen extra aandacht is besteed aan de inclusie van vrouwen’, besluit Abma-Schouten.

Lees meer over sekse en gender in onderzoek

ZonMw stimuleert gezondheidsonderzoek en zorginnovatie. ZonMw financiert gezondheidsonderzoek en stimuleert het gebruik van de ontwikkelde kennis - om daarmee de zorg en gezondheid te verbeteren. ZonMw heeft als hoofdopdrachtgevers het ministerie van VWS en NWO.

Colofon Tekst Dieuwke de Boer Portret Rebecca Abma Eigen beeld Portret Teus van Barneveld Eigen beeld

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website