Na 4 jaar onderzoek in het Kennisprogramma Gender en gezondheid kan niemand er meer omheen: verschillen in sekse en gender doen ertoe. Nu de eindevaluatie er ligt, maken de voorzitter en vicevoorzitter van de programmacommissie de balans op. ‘Dit thema bevindt zich niet meer in een niche, voor de toekomst is dat veelbelovend.’

Maria Henneman en Steven Lamberts, voorzitter respectievelijk vicevoorzitter van de programmacommissie, zijn in een interview eerst nog even voorzichtig. Prima, zo’n gesprek over de eindevaluatie, maar besef dat sommige onderzoeken nog niet zijn afgerond. ‘Er komen nog spannende resultaten aan’, vertelt Henneman. 

Toch zijn de conclusies stevig genoeg om op te reflecteren. Zo is de kennisachterstand over sekse- en genderverschillen op diverse gebieden verkleind, is de methodologische expertise sterk gegroeid en zijn onderzoekers en professionals zich er meer van bewust dat sekse (biologische en fysiologische verschillen tussen mensen) en gender (sociaal geconstrueerde rollen, gedrag, uitingen en identiteiten) parameters zijn waarmee zij rekening moeten houden. 

‘Ik was aangenaam verrast door het grote aantal onderzoekers dat projecten heeft ingediend’, vertelt Henneman, zelf adviseur en onderzoeker op het gebied van (crisis)communicatie. ‘Deze onderzoekers komen uit alle hoeken van de zorg, uit alle delen van het land. Ook de kwaliteit van de aanvragen was goed. Ik vind dit veelbelovend.’
‘Ja, dit is een hele mooie ontwikkeling’, beaamt Lamberts, hoogleraar inwendige geneeskunde en oud rector magnificus van de Erasmus Universiteit. ‘Er hebben zoveel mensen actief in dit programma geparticipeerd. Onder hen zijn veel mannen - sekse en gender blijkt écht geen vrouwending. Deze grote betrokkenheid moeten we levend houden.’

Maria Henneman heeft een adviesbureau voor beleid, strategie en (crisis)communicatie, dat bedrijven en instellingen adviseert, onderzoek doet en trainingen geeft. Het bedrijf heeft veel klanten in de gezondheidszorg. Henneman verdiende nationaal en internationaal haar sporen als journaliste. Zij was onder andere verslaggever en presentator van het NOS journaal en hoofdredacteur van het actualiteitenprogramma Netwerk. Van huis uit is Henneman historica. Zij startte haar carrière als beleidsadviseur bij de vakbeweging. Tegenwoordig is ze al meer dan tien jaar toezichthouder bij een aantal instellingen en een veelgevraagd dagvoorzitter. Henneman is een van de initiatiefnemers van de Alliantie Gender en Gezondheid en voorzitter van het ZonMw-programma Gender en gezondheid. 

Portret door Bert Nienhuis

Steven Lamberts is emeritus hoogleraar inwendige geneeskunde en oud rector magnificus van de Erasmus Universiteit. Als onderzoeker op het gebied van neuro-endocrinologie, endocriene tumoren en veroudering ontving hij diverse internationale onderscheidingen. Vanaf 1994 is hij lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Hij is vicevoorzitter van de ZonMw-programmacommissie Gender en Gezondheid en lid van de toelatingscommissie van het programma Topspecialistische zorg en onderzoek. 
 

Twee werelden

Henneman en Lamberts wijzen graag op de resultaten van zeven kennissyntheses die er dankzij het Gender en gezondheid-programma liggen. Voor Lamberts waren de resultaten een eyeopener. ‘Op basis van bestaande kennis laten deze studies duidelijke verschillen in sekse en gender zien. In zulke kennissyntheses moeten we veel meer investeren. In sommige situaties moet je je zelfs afvragen of nieuw onderzoek nog wel nodig is, in de wereldliteratuur is al zoveel kennis.’

Ter illustratie wijzen Henneman en Lamberts op syntheses die nu al impact hebben op de praktijk, onder andere op het gebied van migraine (zie kader) en hart- en vaatziekten (idem). Ook een kennissynthese naar sekse- en genderverschillen rond bijwerkingen van geneesmiddelen is ‘zeer intrigerend’, vindt Henneman. Ze toont een studie naar bijwerkingen bij mensen met schildklieraandoeningen, gewrichtsontstekingen, depressie en adhd. De onderzoekers analyseerden hiervoor registraties van het Nederlandse bijwerkingencentrum Lareb, over een tijdspanne van 13 jaar.

‘Vrouwen hadden vaker last van misselijkheid, haaruitval, hoofdpijn, duizeligheid en hartkloppingen. Mannen noemden vaker agressie, seksuele problemen, koorts, peesproblemen en oorsuizen. Er is dus niet een bijwerking voor beide seksen hetzelfde. Dat zijn toch twee verschillende werelden?’  
Dezelfde onderzoekers onderzochten voor negen medicijnen of deze gevonden man/-vrouw verschillen in bijwerkingen beschreven zijn in officiële documenten die bij de toelating en regulering van medicijnen in Nederland gebruikt worden. ‘Hun conclusie luidt dat daar weinig informatie over te vinden is, ik vind dat opmerkelijk. Zulke studies laten het nut en de noodzaak van kennissyntheses zien’, vindt Henneman. 

Cohortstudies

Op een ander punt zijn Henneman en Lamberts juist teleurgesteld over nadere analyses van studies die ‘al lopen’. Ze doelen op cohortstudies, dat wil zeggen studies waarin (gegevens van) mensen herhaaldelijk gemeten worden, vaak met één of meerdere tussenliggende jaren. Op deze manier worden  langzaam ontwikkelende gezondheidsproblemen opgespoord.
‘Ik was verbaasd over het grote aantal cohortstudies in Nederland’, zegt Henneman. ‘Ze zijn stuk voor stuk van goede kwaliteit, maar juist op het gebied van sekse en gender bleken er geen nadere analyses in hun databestanden mogelijk. Dat viel ons erg tegen, deze onderzoekers hadden dus geen enkele vraag over gender in hun studie opgenomen.’

Methodologie

Eerlijk is eerlijk, deze tegenvaller raakt aan een andere conclusie uit de eindevaluatie, namelijk dat items als sekse en gender methodologisch gezien vaak lastig te operationaliseren zijn. Dit geldt voor gender veel meer nog dan voor sekse, weet Lamberts. ‘Bij onderzoek naar gender heb je het veelal over kwalitatief, meer sociologisch onderzoek. Zodra het niet meer om kwantitatieve aspecten gaat, zodra iets niet meer in maten en getallen is uit te drukken, lopen veel wetenschappers in de geneeskunde hiervoor weg.’
Om dit hiaat op te vullen, heeft ZonMw de bestaande kennis en expertise op methodologisch gebied gebundeld. Voor alle fasen van een wetenschappelijke studie is een FAQ gemaakt die laat zien hoe onderzoekers met sekse en gender rekening kunnen houden. 
‘Dit heeft echt geholpen’, blikt Henneman terug. ‘In de eerste jaren van het programma stond er in veel aanvragen iets als ‘’wij doen ook aan gender’’. In het derde en vierde jaar hebben wij daar altijd een nadere uitwerking van gevraagd. Ook in de subsidievoorstellen van het COVID19-programma hebben de beoordelingscommissies op de methodologische uitwerking van sekse en gender gelet. Dit zou nog veel meer moeten gebeuren.’

Vervolg

In de eindevaluatie wordt apart aandacht besteed aan de 12 inhoudelijke thema’s uit het programma. Nu al is zeker dat op al deze thema’s vooruitgang wordt geboekt, met hart- en vaatziekten en migraine als meest bekende voorbeelden. Om nu écht door te pakken, is een vervolg nodig, beklemtonen beide voorzitters. 
‘We kunnen dan veel gerichter inzetten, onder andere door te evalueren op welke terreinen het meeste winst te behalen is. Een thema dat we zeker moeten toevoegen is oncologie: ik ben heel benieuwd hoe op dat gebied verschillen in sekse en gender eruit zien’, zegt Henneman. 
Ook de borging en ‘naleving’ van kennis moet in een vervolg hoger op de agenda komen. Op deze terreinen liggen ingewikkelder en ook hardnekkiger problemen dan gedacht.
‘Het blijkt lastig om professionals zover te krijgen dat ze in de spreekkamer anders gaan handelen’, zegt Lamberts. ‘Dit valt me soms tegen. Ik heb veel expertise in de ontwikkeling van richtlijnen en weet dat deze in het geval van wezenlijk nieuwe kennis redelijk snel worden aangepast. Maar als het om nieuwe bevindingen rond sekse en gender gaat, gebeurt dat niet. Wetenschappers en ook professionals lijken hiervoor weg te lopen. Komt dit wederom omdat het hier om kwalitatieve aspecten gaat?’
Soms wordt deze houding conservatisme genoemd, weet Lamberts, maar volgens hem is er eerder sprake van angst om dingen te gaan doen die niet te kwantificeren zijn. Door hier meer aandacht aan te besteden in opleidingen, bij- en nascholingen kunnen ook zulke obstakels worden weggenomen. 
‘De snelle feminisering van de beroepspraktijk kan hierbij helpen’, hoopt Lamberts. ‘Meer dan de helft van de artsen is nu vrouw, bij artsen in opleiding is dat al 75 procent. Dit zijn ook de mensen die toekomstige richtlijnen gaan maken. Dit stemt mij ook op dit punt positief.’ 

Belangrijkste conclusies eindevaluatie: 

  • Het vergroten van kennis 

Met het Kennisprogramma Gender en Gezondheid is de afgelopen vier jaar succesvol ingezet op het verminderen van kennisachterstand over gezondheidsverschillen tussen mannen en vrouwen door onderzoek op dit onderwerp te stimuleren

  • Het vergroten van het bewustzijn onder wetenschappers en zorgprofessionals 

Het programma heeft de bereidheid van wetenschappers, zorgmedewerkers en patiënten om met sekse- en genderverschillen aan de slag te gaan verhoogd.

  • Het sekse- en gendersensitief maken van preventie, diagnostiek en behandeling

Dankzij het kennisprogramma is een bredere kennisbasis ontstaan die het belang van aandacht voor sekse en gender in gezondheid en zorg onderstreept en de aandacht voor deze thematiek in de praktijk legitimeert. Het wordt door de commissie aanbevolen meer inzicht te ontwikkelen in specifieke elementen voor een gedragsverandering richting sekse- en gendersensitieve zorg. Op basis daarvan kunnen nieuwe implementatiestrategieën ontwikkeld worden. Tevens is ingezet op sekse en gender in onderwijs aan medisch specialisten en ggz-professionals. 

  • Het toepassen van gender/sekse in de subsidieprocedures en onderzoek

Naast het verkleinen van de kennisachterstand over man/vrouwverschillen in gezondheid en zorg, is het programma er (deels) in geslaagd ook als katalysator te fungeren om aandacht voor sekse- en genderverschillen systematisch en structureel op te nemen in gezondheids(zorg)onderzoek. Onderwijs aan jonge onderzoekers maakte hier deel van uit.  
 

Belangrijke resultaten

Leidraad voor microvasculair coronairlijden 

Coronaire vaatdysfunctie is een hartziekte waarbij patiënten pijn op de borst krijgen door het niet goed functioneren van de grote en/of kleine kransslagvaten die het hart van bloed voorzien. Deze ziekte komt relatief vaak voor bij vrouwen op middelbare leeftijd. Omdat er geen sprake is van een vernauwing in een kransslagvat, wordt deze ziekte vaak over het hoofd gezien. 

De werkgroep Gender van de Nederlands Vereniging voor Cardiologie (NVVC) heeft een leidraad Pijn op de borst zonder obstructief coronairlijden ontwikkeld. Deze leidraad is bedoeld om alle Nederlandse cardiologen een handvat te bieden voor het herkennen van de symptomen van coronaire vaatdysfunctie en de beschikbare testen voor het stellen van de diagnose en behandelingsmogelijkheden. Deze praktische leidraad is gebaseerd op de laatste wetenschappelijke inzichten en geautoriseerd door de NVVC. 

De leidraad wordt momenteel onder de aandacht gebracht door presentatie en bespreking op de cardiologieafdelingen van Nederlandse ziekenhuizen en via webinars. Ook is een geplastificeerd zakkaartje met samenvatting van de leidraad gemaakt die nu onder cardiologen wordt verspreid.  
 

Migraine bij vrouwen

Er zijn aanwijzingen dat het doorslikken van orale hormonale anticonceptie effectief kan zijn bij vrouwen met migraine. Dit blijkt uit een systematische review naar de effectiviteit van verschillende hormonale behandelingen voor vrouwen met migraine. In deze kennissynthese is ook nagegaan of er verschil in effectiviteit is tussen mannen en vrouwen. Daarnaast zijn in een meta-analyse geslachtshormoonlevels van vrouwen met migraine vergeleken met die van gezonde controles. 

Uit de studie blijkt ook dat vrouwen met menstruatie-gerelateerde migraine hogere oestradiolwaarden hebben tijdens de vroege en late folliculaire fase, tijdens de ovulatie en tijdens de late luteale fase in vergelijking met gezonde controles. Tot slot toont deze studie aan dat de huidige, acuut werkende medicatie tegen migraine – triptanen – bij vrouwen niet effectiever is bij mannen, hoewel vrouwen wel worden blootgesteld aan hogere plasmaspiegels van deze medicatie en zij ook meer bijwerkingen ervaren dan mannen. Vrouwen hebben bovendien een grotere kans dan mannen dat de migraine terugkeert na een initieel goede reactie op een triptan. 

Een belemmering voor de onderzoekers was dat er maar weinig studies zijn die de resultaten voor mannen en vrouwen apart rapporteren. De resultaten uit deze kennissynthese worden verder onderzocht in het nog lopende onderzoek The Migraine WHAT! Study (Women, Hormones, Attacks and Treatment. 

Vrouwen melden andere bijwerkingen van medicijnen dan mannen

In een kennissynthese zijn verschillen tussen mannen en vrouwen in bijwerkingen te vergroten. Hiervoor is allereerst een overzicht gemaakt van mogelijke verschillen tussen mannen en vrouwen in bijwerkingen die gemeld zijn bij het Nederlands bijwerkingencentrum Lareb in de periode 2003-2016. Resultaten toonden aan dat bij 15% van de gemelde bijwerkingen voor specifieke medicijnen man/vrouw-verschillen werden gezien: in de meeste gevallen meer meldingen voor vrouwen. Het betrof onder andere bijwerkingen bij medicijnen voorgeschreven voor schildklieraandoeningen, gewrichtsontstekingen, depressie en ADHD. Voor vrouwen worden daarnaast vaak andere bijwerkingen gemeld dan voor mannen. Zo hadden vrouwen vaker last van misselijkheid, haaruitval, hoofdpijn, duizeligheid en hartkloppingen. Mannen hadden vaker last van agressie, seksuele problemen, koorts, peesproblemen en oorsuizen. 

De onderzoekers namen verschillende medicijnen nader onder de loep, bijvoorbeeld medicijnen die veel door patiënten met diabetes type 2 worden gebruikt. Onderzoek naar het voorschrijven van glucose-, bloeddruk- en cholesterolverlagende medicijnen in de huisartsenpraktijk bij ruim 27.000 mensen met diabetes type 2 lieten zien dat er – na correctie voor leeftijd en comorbiditeit – verschillen tussen mannen en vrouwen zijn in de keuze en dosering van deze medicijnen. Voor diverse medicijnen kregen vrouwen bovendien lagere doseringen voorgeschreven dan mannen. 

Lees meer over sekse en gender in onderzoek

ZonMw stimuleert gezondheidsonderzoek en zorginnovatie. ZonMw financiert gezondheidsonderzoek en stimuleert het gebruik van de ontwikkelde kennis - om daarmee de zorg en gezondheid te verbeteren. ZonMw heeft als hoofdopdrachtgevers het ministerie van VWS en NWO.

Colofon Tekst Gonny van Haaft, Portret Maria Hennaman Bert Nienhuis Portret Steven Lamberts Eigen beeld

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website