Slotpublicatie Augustus 2015

Sport, bewegen en Gezondheid

Slotpublicatie

Estafettelopers

Sport, bewegen en Gezondheid

Slotpublicatie

Een stevige basis voor sportonderzoek

Het ZonMw programma Sport, Bewegen en Gezondheid heeft een fikse impuls gegeven aan het wetenschappelijk onderzoek naar sport en bewegen in Nederland.

Gerard Molleman, oud lid ZonMw programmacommissie: ‘Er is veel geïnvesteerd in de infrastructuur voor het onderzoek van sport, bewegen en gezondheid. Daarbij stond de koppeling van wetenschap met het praktijkveld en de sporters centraal.’

‘Dankzij het ZonMw programma is het gelukt om op een aantal plaatsen in Nederland een stevige onderzoeksinfrastructuur voor onderzoek naar sport, bewegen en gezondheid voor elkaar te krijgen’, zegt Ron Diercks, hoogleraar klinische sportgeneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Met de programmasubsidie is 7,8 fte onderzoeksstaf voor vier academische kernen (VUmc, UMC Groningen, UMC Utrecht, Maastricht UMC+) gerealiseerd en zijn twee leerstoelen klinische sportgeneeskunde mogelijk gemaakt.
Naast de stimulering van een sport onderzoeksinfrastructuur zijn binnen het programma ook 25 onderzoeksprojecten uitgevoerd alsmede twee projecten gericht op verspreiding en implementatie van resultaten. Hieronder worden een aantal relevante uitkomsten uit een scala van onderzoeksprojecten belicht. Daarnaast vindt u gegevens over het programmakader, enkele conclusies uit de eindevaluaties en een blik vooruit in de toekomst.

Het programma in een notendop

Het programma startte in 2004, in opdracht van het ministerie van VWS en gaf invulling aan het beleid dat zich richtte op het beperken van de gezondheidsrisico’s van sport en bewegen en daarmee op de vergroting van gezondheidswinst.

Doelstellingen waren:

  • Het versterken en verankeren van de onderzoeksinfrastructuur;
  • het vergroten van kennis over de positieve en negatieve aspecten van sport en bewegen bij de preventie en behandeling van ziekten en aandoeningen en ontstaan, diagnostiek, prognose en behandeling van sportletsels;
  • het bevorderen van de kennistransfer van onderzoeksresultaten en het creëren van voorwaarden voor de implementatie ervan.

Het programma kende drie tranches: Tranche één in 2004, twee in 2007 en drie in 2012. In totaal zijn 35 projecten uitgevoerd. Het totale budget van het programma was 6,5 miljoen Euro.

‘Je kunt wel bedenken dat beweging ergens goed voor is, maar je moet weten of het echt klopt. Onderzoek naar sport en bewegen is dus belangrijk’, zegt Eduard Klasen, oud voorzitter van de programmacommissie. ‘Het is nu wel bewezen dat beweging een groot effect heeft op het welbevinden en de gezondheid. Van het deels voorkómen van hart- en vaatziekten tot aan uitstel van dementie. Als effecten wetenschappelijk aangetoond zijn, kun je ze gebruiken voor adviezen en beleid.’

Mooie uitkomsten

Minister Schippers van VWS toont zich tevreden over de eindevaluatie van het programma.

In een brief aan de Tweede Kamer schreef zij 23 juni 2015: ‘Op basis van deze gedegen evaluatie concludeer ik dat het programma Sport, Bewegen en Gezondheid een duidelijke bijdrage heeft geleverd aan de positionering van sport, bewegen en gezondheid in de academische wereld. Het is goed nieuws dat de onderzoeksinfrastructuur van sport, bewegen hiermee is versterkt. Deze lijn zet ik graag door.’

De minister is ook te spreken over dat er veel kennis is gegenereerd over de positieve en negatieve effecten van sport op de gezondheid.

De externe evaluatiecommissie SBG sluit zich aan bij de conclusies in de eindevaluatie dat het onderzoeksprogramma een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de erkenning van het SBG-domein in de academische wereld in Nederland. En dat het een impuls heeft gegeven aan de samenwerking tussen onderzoek en praktijk, met de kanttekening dat daarin nog veel meer te winnen is. Ze beamen dat de onderzoeksinfrastructuur is versterkt door de aanstelling van hoogleraren en onderzoekstaf op het gebied van sport en bewegen.

Maar de mooiste opbrengst van het programma is haar projecten. Hieronder aandacht voor een aantal ervan uit de verschillende tranches.

Projecten uitgelicht

Drie keer minder hamstringblessures in het amateurvoetbal

Voetbalblessures kosten de samenleving jaarlijks 170 miljoen euro. Onderzoek in binnen- en buitenland wijst uit dat zowel in het amateurvoetbal als in het betaalde voetbal hamstringblessures veel voorkomen. 15% van de amateurvoetbalblessures zijn hamstringblessures. De kans dat het voetballers vaker overkomt is groot. Bovendien is de hersteltijd lang.
Bij een groep amateurvoetballers die een speciale krachtoefening deed kwam deze pijnlijke blessure drie keer minder voor.

Frank Backx van het UMC Utrecht en de KNVB onderzocht hoe een speciale krachtoefening het aantal hamstringblessures bij mannelijke amateurvoetballers kan verminderen.
Aan het onderzoek deden 619 voetballers van 40 eerste klasse amateurclubs mee. De helft van de amateurteams voerden 13 weken lang twee keer per week een speciale krachtoefening uit voor hun hamstrings (achterste dijbeenspieren). De andere helft van de amateurploegen trainden op hun gewone manier. Het onderzoek liep tijdens de voetbalseizoenen 2012-2013 en 2013-2014.
Na afloop van het seizoen bleken in de groep met de oefenvorm drie keer minder hamstringblessures opgetreden te zijn ten opzichte van de groep zonder deze oefenvorm. Er waren zes blessures in de speciaal geoefende groep en 18 blessures in de controlegroep.

De oefening

De nordic hamstring exercise is de oefenvorm, een zogenaamde excentrische spierkrachtoefening.
Met het beeld- en filmmateriaal dat inmiddels beschikbaar is, brengt de KNVB de oefening onder de aandacht van trainers. Daarnaast is een module opgenomen in het onderwijs voor de medisch-technische staf. De KNVB verspreid de kennis elk jaar bij de start van het nieuwe seizoen via haar website en social media. De Vereniging voor Sportgeneeskunde levert ook een bijdrage aan de kennisverspreiding via de Kennis Transfer Sportgezondheidszorg, een methode om evidence based onderzoeksresultaten naar de sportpraktijk te brengen.

Gewicht maken in wedstrijdjudo

Om hun wedstrijdgewicht te halen moeten judoka's vaak meerdere malen per seizoen in korte tijd meerdere kilo's afvallen. Dat begint vaak al op jonge leeftijd en daarbij worden methoden gebruikt die schadelijk kunnen zijn voor de fysieke en mentale gezondheid.

Deze sporters hebben daardoor een verhoogd risico op het ontwikkelen van een eetstoornis. Dit onderzoek richtte zich op de omvang, aard, motieven, invloeden en effecten van afvallen voor judowedstrijden.

Extreme methoden

Het bleek dat maar liefst 75% van de wedstrijdjudoka’s afvalt om in de gewenste gewichtsklasse uit te komen. Dat percentage ligt nog hoger bij topjudoka’s. Daarbij worden soms extreme methoden gebruikt zoals laxeermiddelen en braken. Door het afvallen ervaren zij slapte, vermoeidheid, gebrek aan energie, maar ook menstruatiestoornissen komen voor. Veel judoka’s ontwikkelen door het afvallen een obsessie met eten.

Aanbevelingen

Onderzoeker Jessica van Gal (Sportmedisch adviescentrum Jessica Gal Sportartsen) heeft aanbevelingen geformuleerd over effectieve preventie- en voorlichtingstrategieën voor sporters, trainers en (para)medische begeleiders waarmee de judobond nu aan de slag is gegaan.

Kennis Transfer Sportgezondheidszorg (KTS)

De methode is ontwikkeld door de Vereniging voor Sportgeneeskunde (VSG). In 2009 en 2010 is in een pilot ervaring opgedaan met kennisoverdracht in een tweetal ZonMw projecten. De resultaten van de pilot lieten zien dat door deze KTS-methode eenduidige, betrouwbare informatie bij de sporter of zijn directe omgeving komt.

KTS is een methodiek waarmee sportmedische kennis, zowel evidence als practice based, wordt vertaald in betrouwbare, bruikbare, toegankelijke en eenduidige informatie voor de sporter en zijn directe omgeving. Daarbij staat de sporter centraal. Dat betekent dat de sporter vanaf het begin is betrokken bij de gehele werkwijze en ook medezeggenschap heeft. De sporter is namelijk degene die kan bepalen of de informatie begrijpelijk en bruikbaar is. En of het product in een geschikte vorm gegoten is om de informatie te verspreiden.

Toepasbaarheid

Enerzijds kan een praktijkvraag uit de sportwereld aanleiding zijn om de KTS methodiek toe te passen. Anderzijds kan een wetenschappelijk onderzoeksresultaat reden zijn om van start te gaan met KTS. Door de inzet van de methodiek gaan de sportpraktijk, de (para) medische- en wetenschappelijke wereld met elkaar in gesprek. Hierdoor leren ze elkaars taal spreken en cultuur begrijpen. Deze drie kenniswerelden komen samen om sportmedische inzichten te vertalen en te verspreiden via een product dat is afgestemd op de eindgebruiker.

Completer en objectiever

Met KTS komt vanuit verschillende disciplines completere en objectievere informatie tot stand voor de eindgebruiker op basis van recent wetenschappelijk onderzoek en afgestemd op de vraag van de eindgebruiker. Met deze informatie is de eindgebruiker in staat om zelf een afgewogen oordeel te vormen over wat hij wel of niet moet doen en wie hij wel of niet kan raadplegen. De zelfredzaamheid van eindgebruikers wordt hiermee sterk vergroot waardoor in minder gevallen onnodig een beroep op de zorg wordt gedaan. Gerard Molleman, oud lid ZonMw programmacommissie: ‘KTS is heel goed voor onderzoeksvoorstellen in de sportgeneeskunde: een aantal praktijkmensen en sporters dat om de tafel zit met onderzoekers en vaststelt wat zij zouden willen weten. Dat gaat goed bij sportmedische onderwerpen. Bij andere veel bredere onderwerpen, zoals bewegen in het algemeen of waarbij bewegen en sport als therapie worden ingezet heb je weer een andere groep deskundigen uit het veld nodig. Dan kun je wel het principe van KTS gebruiken.’
De methode is in een groot deel van de projecten uit de derde tranche van SBG gebruikt voor de verspreiding en implementatie van resultaten.

Preventief oefenprogramma voor enkelblessures

Ongeveer een kwart van alle sportletsels zijn aan de enkel. Hiermee is acuut lateraal enkelletsel het meest voorkomende letsel in sport. Dit letsel leidt op de korte termijn tot sportverzuim en op de lange termijn mogelijk tot chronische pijn en instabiliteit. De gemiddelde kosten per letsel zijn ongeveer € 300,= aan directe en indirecte kosten. Een preventief oefenprogramma blijkt effectief om herhaalde verstuikingen te voorkomen.

Dr. Evert Verhagen van het VU Medisch Centrum onderzocht de behandeling en preventie van enkelblessures. Bij volleyballers bekeek hij of het herstel van een verstuikte enkel bevorderd kan worden door gerichte balanstraining van de spieren die het enkelgewricht stabiliseren. Die aanpak werkte, vooral bij sporters die al eerder een enkel hadden verstuikt. Zo kwam Verhagen op een nieuw spoor: het verhoogde risico dat de blessure terugkomt. ‘Als je je enkel verstuikt, is de kans dat het binnen een jaar weer gebeurt twee keer hoger dan normaal. Wij hebben laten zien dat onze balanstraining die kans weer terugbrengt naar normaal. Dat spaart heel veel geld uit. Gemiddeld verdien je per sporter honderd euro terug door deze interventie. Maar het werkt alleen als je echt acht weken traint. Een weekje of drie is niet genoeg’.

App voor hardlopers

Inmiddels heeft VeiligheidNL de ‘Versterk je Enkel’ App ontwikkeld voor Iphone- en Android-gebruikers die zelf hun enkel willen trainen. Op interactieve wijze wordt een bewezen effectief neuromusculair programma aangeboden. De app die tips geeft om enkelblessures te voorkomen werd al meer dan 70.000 keer gedownload.
Binnen het Onderzoeksprogramma Sport, ZonMw pijler Vitaal,  wordt momenteel uitgezocht of de app leidt tot een betere therapietrouw in vergelijking met de gebruikelijke therapieën. Ook kijkt de studie op lange termijn naar lagere letselincidentie en kosten. De resultaten hiervan worden in 2016 verwacht.

Overtraindheid vroegtijdig voorspellen

Veel jonge atleten die topsporter willen worden – ergens tussen de 20 en 60 procent – raken minimaal één keer in hun carrière ‘overtraind’. Korte periodes van overbelasting zijn nodig om uiteindelijk beter te presteren. Maar wanneer die overbelasting te lang duurt, herstel je niet goed meer. Een monitoringsysteem biedt uitkomst.

Projectleider Koen Lemmink van de Rijksuniversiteit Groningen: ‘Overtraindheid is lichamelijke én geestelijke overbelasting. Overtrainde atleten zijn erg moe en presteren minder goed dan vroeger. Ze slapen bovendien soms slecht, of zijn erg prikkelbaar.’
Een overtrainde sporter zou een stapje terug moeten doen, maar gaat vaak juist harder trainen als zijn prestaties minder worden. Na een paar maanden kan zo het overtrainingssyndroom ontstaan. Herstel daarvan kan twee jaar duren.

Glijdende schaal

Het ontstaan van overtraindheid is moeilijk waar te nemen, want het gaat om een glijdende schaal. De onderzoekers ontwierpen een online monitoringsysteem, dat ze uittestten bij jonge voetballers en hardlopers. ‘Na elke training vulden de sporters een korte vragenlijst in over de belasting van de training en het tempo van herstel, plus maandelijks een vragenlijst over psychosociale belasting en herstel.’ Bepaalde patronen bleken één of twee maanden van tevoren een mogelijke overtraindheid aan te kondigen. De mate van belastbaarheid verschilt overigens sterk van persoon tot persoon, benadrukt Lemmink. ‘Je kunt pas individuele grenswaarden vaststellen als atleten ongeveer een jaar lang vragenlijsten invullen.’

Resultaten

Bij de afronding bleek dat stress en herstel te maken hebben met prestatie, blessures en ziekte, waarbij fysieke stress samenhangt met prestatie en blessures en psychosociale stress en herstel met ziekte. Er zijn markers naar voren gekomen die duiden op een disbalans tussen belasting en belastbaarheid. Hiervoor zijn protocollen beschikbaar voor coaches, trainers en sportfysiotherapeuten. Ook is gebleken dat deze disbalans erg individueel moeten worden bepaald en iedere sporter eigenlijk zijn eigen controle is. Dat maakt dat een sporter min of meer zijn ’eigen’ waarschuwingssysteem in de loop van de tijd moet ontwikkelen.
Inmiddels worden delen uit de monitor door sporters en clubs standaard toegepast.

Overtraining bij ALO-studenten en wedstrijdroeiers

Overtraining is een ernstige aandoening die ontstaat wanneer de balans tussen belasting en belastbaarheid in hoge mate verstoord is. Overtraining heeft tot gevolg dat de gezondheid van de sporter en daarmee ook de sportprestatie nadelig beïnvloed wordt. Uit de literatuur blijkt dat een toename in trainingsbelasting een mogelijk risico is voor overtraining. Zowel eerstejaars roeiers als eerstejaars ALO-studenten krijgen te maken met een plotselinge, forse toename van de trainingsbelasting. Daarom bracht Janine Stubbe van de Hogeschool Amsterdam overtraining bij eerstejaars ALO-studenten en wedstrijdroeiers in kaart.
Uit haar onderzoek bleek dat bijna 30% van de eerstejaars roeiers gedurende het roeiseizoen overtrainingsklachten krijgt. Bij de ALO heeft 6,1% van de eerstejaars studenten tijdens het eerste blok van 10 lesweken last van overtrainingsverschijnselen.
De uitkomsten van het onderzoek worden vertaald naar een screeninginstrument dat weergeeft of de sporter mogelijk overtraind is en dat tevens gebruikt kan worden bij het voorkomen van overtraining. De opgedane kennis wordt verspreid via congressen, opleidingen, websites, KTS-groepen en vakbladen.

Sporten en bewegen met diabetes

Diabetespatiënten krijgen problemen met allerlei dagelijkse activiteiten. Ze kunnen bijvoorbeeld minder ver lopen en zijn eerder moe. Kan een krachttrainingsprogramma de spierkracht en mobiliteit vergroten?

Krachttraining voor mensen met diabetes

Voor mensen met diabetische polyneuropathie, een zenuwaandoening die veel patiënten treft, geldt dat nog veel sterker. Hans Savelberg, universitair hoofddocent bij de Universiteit Maastricht, onderzocht of een krachttrainingsprogramma de spierkracht en de mobiliteit van deze groep vergroot. ‘Diabetes wordt meestal behandeld als een stofwisselingsziekte’, vertelt hij. ‘Wij kozen een andere invalshoek: hoe verbeter je beperkingen in het dagelijks leven? Spierzwakte is een belangrijke oorzaak van een beperkte mobiliteit, dus daar wilden we met een eenvoudige krachttraining direct iets aan doen.’

Belangrijke verschillen

En dat hielp. Na een trainingsprogramma van 24 weken had de onderzoeksgroep sterkere beenspieren. Een jaar later was die kracht zelfs verder toegenomen, waarschijnlijk omdat de patiënten bleven trainen. De aard van de oefeningen stimuleerde dat ook, vertelt Savelberg. ‘Het gaat om lichte oefeningen die je makkelijk kunt toepassen in het dagelijks leven. Bijvoorbeeld: uit de stoel opstaan, en als dat goed gaat hetzelfde doen met een gewicht in je handen.’
Ook de mobiliteit verbeterde. Na het trainingsprogramma liepen de proefpersonen in zes minuten gemiddeld vijftig meter verder dan niet-getrainde patiënten.

Effectief bewegen voor diabetes type 2 patiënten

Type 2 diabetes patiënten hebben gedurende een groot deel van de dag sterk verhoogde bloedsuikerwaarden. Zelfs patiënten die gezonde voeding gebruiken en medicamenteus behandeld worden. Deze zogenaamde ‘hyperglycemische’ bloedsuikerwaarden vergroten het risico op hart- en vaatziekten. Luc van Loon van de UMC Maastricht onderzocht welk soort inspanning type 2 diabetespatiënten het best kunnen doen, hoe zwaar de inspanning moet zijn en met welke frequentie een inspanning het beste geleverd kan worden.

Resultaten

Kracht- en duurinspanning bleken bijna even effectief om de aanwezigheid van hyperglycemische bloedsuikerwaarden gedurende de daarop volgende 24 uur te verminderen. Beide vormen van inspanning wisten een afname van wel 35% te bewerkstelligen. Dat gold trouwens ook voor personen met een verhoogd risico op het ontwikkelen van type 2 diabetes.
Behalve de bloedsuikerverlagende effecten van krachttraining profiteren patiënten ook van toename in spiermassa, kracht, en functionele capaciteit. Een dagelijkse inspanning op matige intensiteit van slechts 30 minuten bleek al voldoende om de aanwezigheid hyperglycemie substantieel te verminderen. Maar ook een uur inspanning per twee dagen werkte goed. Opvallend was dat een enkele sessie inspanning van 60 minuten tot wel 48 uur na inspanning effectief bleek om de hyperglycemie te verminderen. Tot nu toe zijn de resultaten nog niet geïmplementeerd in richtlijnen, bijvoorbeeld voor fysiotherapeuten. Het onderzoek en de resultaten zijn in een aantal publicaties in internationale, wetenschappelijke tijdschriften beschreven.

Warming up bij hardloopevenement

Hardlopen gezond?

Hardlopen is populair in Nederland – naar schatting uit 2012 lopen ongeveer twee miljoen Nederlanders regelmatig hard. Je hebt er weinig voor nodig, kunt het overal doen en je wordt er fitter en gezonder van. Maar het risico op blessures is ook groot. Voorbereid aan de slag is het advies. Binnen het onderzoeksprogramma Sport, Bewegen en Gezondheid financierde ZonMw een aantal projecten die zich richten op preventie van hardloopblessures. Uit deze onderzoeken kwam voornamelijk naar voren dat een te hoog BMI en een weinig sportief verleden het krijgen van een blessure verhoogt.

In ‘The Dutch National Running Study’ stond het bepalen van risicofactoren voor blessures bij beginnende hardlopers en het identificeren van risicofactoren voor specifieke blessures centraal. Bij 1700 hardlopers is informatie verzameld. Daaruit bleek dat knie en onderbeenblessures het meest voorkwamen. De factoren die blessurevoorspellend waren zijn: een hogere leeftijd, een hoog BMI, eerder klachten aan het bewegingsapparaat en het ontbreken van enige hardloopervaring. Van de deelnemers die geblesseerd raakten bezocht 55% een huisarts of een fysiotherapeut.
Positieve effecten waren dat de gezondheid (o.a. BMI, bloeddruk en vetpercentage) direct na deelname aan het programma verbeterde. Na zes maanden waren deze positieve effecten nog zichtbaar.
De opgedane kennis uit dit onderzoek dat in 2014 is afgerond, zijn in samenwerking met de Atletiekunie en werkgroep Hardlopen van de Kennistransfer Sportgezondheidszorg vertaald in praktische adviezen en informatie voor sporters en hun begeleiders en behandelaars.
Dit onderzoek is uitgevoerd door Henk van der Worp van UMC Groningen in samenwerking met vier andere academische kernen. Aan het onderzoek deden deelnemers aan het Start to Run programma van de Atletiekunie mee.

The Groningen Novice Running (GRONORUN)

Van 2005 tot 2007 liep deze studie, onder leiding van Stef Bredeweg van UMC Groningen, die het effect bepaalde van twee hardloopschema’s voor beginnende hardlopers op het ontstaan van hardloopblessures. De controle groep liep volgens een standaard beginners hardloopprogramma van acht weken. De interventie groep maakte gebruik van een langer durend programma met een graduele opbouw van het hardlopen over een periode van 13 weken. En wat bleek? De langer lopende opbouwtraining hielp niet om hardloopblessures te voorkomen. De studie toonde wel aan dat er een verschillend risicoprofiel is voor mannelijke en vrouwelijke lopers. Bij mannen bleek bijvoorbeeld een hoger BMI bepalend. Bij vrouwelijke lopers bleek dat de stand van de voet een risicofactor kan zijn. Voor beide geldt dat hardlopers die vooraf niet sportief actief zijn een hogere kans hebben op een blessure.
In een vervolgonderzoek van dezelfde onderzoeksgroep dat in 2011 is afgerond is gekeken of een voorbereidingsprogramma hardloopblessures kan voorkomen. Het ging om een programma van vier weken met wandelen en hupoefeningen, die beginnende hardlopers volgden voordat zij met hun trainingschema aan de slag gingen. Ook dit bleek geen effect te hebben. Toch heeft dit vervolgonderzoek veel opgeleverd. Naast de wetenschappelijke voordrachten, bij- en nascholing voor trainers, fysiotherapeuten en artsen is een Kennistransfercentrum Hardlopen gevormd. Dat is een samenwerkingsverband van de Vereniging voor Sportgeneeskunde, Atletiekunie, Consument en Veiligheid, TNO en het Sportmedisch Centrum UMCG. Het centrum adviseert (beginnende) hardlopers uniform, objectief en betrouwbaar over hardlopen.

Het Nijmeegse Marikenloop onderzoek

Dit onderzoek richtte zich op hardlopende vrouwen en hun blessures en is gedaan met deelnemers van de Marikenloop 2013. Dit is een hardloopwedstrijd in Nijmegen voor vrouwen met twee afstanden: 5 en 10 km. Over een periode van drie maanden bleek bijna 20% van de deelnemers één of meerdere hardloopblessures te krijgen waarvan het merendeel in de heup, lies, bovenbeen, knie of onderbeen.
Onderzoeker Bart van Staal van Hogeschool Arnhem Nijmegen stelde ook hier vast dat een verhoogt BMI het enige aangetoonde risico op hardloopblessures was. Voor andere factoren zoals trainingsafstand en frequentie, leeftijd, stand en beweeglijkheid van de enkel/voet, overmatige beweeglijkheid, mentale gezondheidstoestand, menstruatieleeftijd, doorgemaakte zwangerschap, het dragen van hakken, andere sportactiviteiten, eerder doorgemaakte blessures, type terrein, type training, en leeftijd van de schoen kon dit verband niet worden aangetoond.

Ten Slotte

Sportonderzoek moet doorgaan! De programmacommissie SBG pleitte bij de naderende afronding van dit programma al voor voortzetting van sportonderzoek.

Ze voorzagen dat opgebouwde onderzoeksinfrastructuur bij de vijf academische kernen (VUmc, UMC Groningen, UMC Utrecht, Maastricht UMC+, ErasmusMC) niet in stand gehouden zou worden en dat er onvoldoende evidente interventies beschikbaar komen voor implementatie. Of zoals Frank Backx in een interview zei: 'Er is nog heel veel zinvol onderzoek te doen, in het belang van sporters en van iedereen die gezond wil blijven'.

Onderzoeksprogramma Sport

SBG kreeg een vervolg in de pijler Vitaal van het integrale onderzoeksprogramma Sport, dat in 2012 startte. Doel van het programma is om het wetenschappelijk onderzoek op het terrein van (top)sport en bewegen met betrekking tot de pijlers Presteren, Meedoen en Vitaal te versterken en zodoende kwalitatief hoogwaardige en duurzame kennis op te bouwen en die kennis in te zetten voor de praktijk. Twee projecten uit SBG hebben een vervolg gekregen binnen dit programma.

Wat doet ZonMw nog meer aan sport en bewegen?

Sportblessure preventie

Inmiddels heeft ZonMw van het ministerie van VWS ook opdracht gekregen om een programma rondom Sportblessure preventie vorm te geven.

Sportinnovatie en Sporttechnologie

Op 26 juni 2015 heeft minister Schippers van VWS de Kennis- en Innovatieagenda Sport 2015-2020 in ontvangst genomen. De minister wil het rendement van kennis en innovatie in de sport vergroten en daarbij nadrukkelijk naast de wetenschap en de sport ook het bedrijfsleven en overheden betrekken. Daarom heeft zij eind 2014 het Topteam Sport in het leven geroepen dat onder leiding van IBM-directeur Harry van Dorenmalen de Kennis- en innovatieagenda voor de komende jaren heeft opgesteld. Het Topteam Sport wordt inhoudelijk ondersteund door ZonMw en STW.

Sportimpuls

De Sportimpuls is een subsidieregeling die lokale sport- en beweegaanbieders financieel ondersteunt bij de opzet van activiteiten die ze ondernemen om meer mensen langdurig te laten sporten en bewegen. Deze activiteiten bestaan uit het opstarten en aanbieden van sportaanbod voor mensen die niet of nauwelijks sporten en bewegen of dreigen te stoppen met sporten en bewegen.
Er zijn drie Sportimpulsprogramma’s:
Sportimpuls, Sportimpuls Kinderen Sportief op Gewicht (KSG), Sportimpuls Jeugd in lage inkomensbuurten.
Sportimpuls maakt onderdeel uit van het VWS beleidsprogramma Sport en Bewegen in de Buurt.