GGG-congres 2015

Therapie op maat

GGG-congres 2015

Therapie op maat

Op donderdag 16 april 2015 organiseerde ZonMw het derde jaarlijkse congres Goed Gebruik Geneesmiddelen. Dit jaar was het thema: Therapie op maat.

de zaal vol met mensen

De technologische ontwikkelingen op het gebied van therapie op maat gaan razendsnel en de voordelen voor de patiënt zijn duidelijk aantoonbaar. Maar hoe ver zijn we nu, wat is er al bereikt en wat is er nog nodig?
Met een gevarieerd programma heeft het GGG-congres 2015 de aanwezigen bijgepraat over de nieuwste ontwikkelingen en over actuele thema’s uit de dagelijkse praktijk. Wat voor maatwerk is er mogelijk voor specifieke groepen als ouderen of zwangeren? Welke resultaten hebben projecten rond thema’s als antistolling, astmacontrole, antibiotica, biologicals en antidepressiva opgeleverd? En hoe zien de plannen eruit op het gebied van DNA-diagnostiek in de oncologie? Of voor goed gebruik van specialistische geneesmiddelen?

‘GGG pakt door!’

2 dames met elkaar in gesprek
Inge Diepman (r) interviewt Pauline Meurs

Therapie op maat is een belangrijke ontwikkeling waarvoor nog veel onderzoek nodig is. Des te mooier dat het GGG-programma nog zeker tot 2019 doorgaat. Dat zei ZonMw-voorzitter Pauline Meurs op donderdag 16 april 2015 bij de opening van het derde jaarlijkse congres Goed Gebruik Geneesmiddelen.

Toekomst voor therapie op maat

Om de beloften van therapie op maat te kunnen verwezenlijken, is nog veel meer kennis nodig. En vooral ook een stevige inzet op de toepassing daarvan, om de kwaliteit van zorg én de kosteneffectiviteit te waarborgen. Pauline Meurs: ‘De formele brief is er nog niet, maar het ministerie van VWS heeft laten weten dat het programma Goed Gebruik Geneesmiddelen in een duidelijke behoefte voorziet en we nog minstens tot 2019 verder kunnen met het programma. Daar kunnen we met zijn allen trots op zijn.’

Gemeenschappelijk belang

Volgens Meurs is er in het GGG-programma veel zinvolle ervaring opgedaan met publiek-private samenwerking rond het effectief, veilig en doelmatig gebruik van geneesmiddelen. Een van de belangrijkste lessen betreft het vraagstuk van lange en korte lijnen.
Meurs: ‘Onderzoek heeft een verre horizon, terwijl bedrijven vaak sneller willen. De belangen in een samenwerking kunnen verschillend zijn. Maar een gezamenlijk doel, zo leert de ervaring, helpt om deze verschillen te overbruggen.’

Patiënten nog meer centraal

Meurs noemt de ontwikkeling naar personalised medicine zeer kansrijk. ‘Uiteraard is elke zorg in principe op maat gesneden. Maar door de razendsnelle ontwikkelingen op het terrein van de farmacotherapie, zijn daar toch nog grote stappen in te zetten. Zorg op maat levert duidelijk veel minder schade op en zorgt voor een effectievere behandeling.’ Volgens Meurs wordt het belang van patiëntenparticipatie alleen maar groter. ‘We gaan de patiënten een nog grotere rol geven in de programmering én de beoordeling van de aanvragen. Uiteindelijk draait het immers om hun belang.’

Michel Rudolphie: ‘Resultaten kankeronderzoek sneller bij de patiënt’

close up spreker Michel Rudolphie die presentatie houdt
Michel Rudolphie aan het woord

Nieuwe kennis sneller naar de patiënt, dat is de belangrijkste missie van KWF Kankerbestrijding voor de komende jaren. Volgens directeur Michel Rudolphie vergt dat veel meer dan het financieren van onderzoek: ‘We zoeken naar een heus partnerschap met onderzoekers om het optimale ontwikkelingstraject te faciliteren.’

Sneller van lab naar patiënt

KWF Kankerbestrijding zit middenin een transitie, vertelde Michel Rudolphie zijn gehoor. ‘We zijn niet langer een 'goed doel', maar willen nadrukkelijk een maatschappelijke organisatie zijn. We zetten de stap van financier naar samenwerkingspartner, waardoor we het proces van vernieuwing en ontwikkeling beter kunnen faciliteren. Met ontwikkelingstrajecten bevorderen we de stroomlijning van laboratorium naar patiënt en vice versa.’

Michel Rudolphie: 'Personalised medicine is een grote belofte voor de toekomst van de geneeskunde.'

Niet vanzelf een zegen

Met de zogeheten next generation sequencing-techniek is een belangrijk instrument voor oncologische therapie op maat voorhanden, aldus Rudolphie. Maar nieuwe technologie is volgens hem niet vanzelf een zegen voor de kankerpatiënt. ‘Er zijn nog erg veel vragen te beantwoorden. Denk maar aan de ethische en juridische aspecten van het gebruik van DNA-materiaal. En kunnen we over tien jaar nog wel uitlezen wat we vandaag verzamelen en in computersystemen opslaan? Wat moet je eigenlijk meten, gezien vanuit het belang van de patiënt? En hoe betrek je de patiënt bij beslissingen daarover?’

Partnerschap op alle niveaus

Volgens Rudolphie is personalised medicine een grote belofte voor de toekomst van de geneeskunde. ‘Maar voor een grootschalige toepassing is dus nog wel veel onderzoek nodig. Daarom ben ik ook zo blij met de samenwerking  die we als KWF Kankerbestrijding hebben opgezet met Achmea en ZonMw in het onderzoeksprogramma Personalised Medicine. ‘Het ambitieniveau van dit programma, ondergebracht bij GGG, is hoog. We kunnen daar nu drie jaar aan werken, maar we moeten ook nu al gaan nadenken over het vervolg. Personalised medicine kan niet zonder partnerschap op alle niveaus.’

NPCF wint ZonMw Parel voor project patiëntenparticipatie

drie vrouwen met Parel prijs
Van links naar rechts: Marilou Muris-Nyst, Gerdi Verbeet, Pauline Meurs
dagvoorzitter Inge Diepman interviewt 2 vrouwen
Inge Diepman interviewt Marilou Muris-Nyst, projectleider

Projectleider Marilou Muris-Nyst en voorzitter Gerdi Verbeet van patiëntenfederatie NPCF ontvingen een ZonMw Parel voor hun pilotproject rond patiëntenparticipatie in het GGG-programma. Volgens ZonMw is de bijdrage van het patiëntenpanel ‘zeer relevant en vooruitstrevend’.

Beoordeling door patiënten

Ervaringsdeskundigheid is relevant voor onderzoek naar goed gebruik van geneesmiddelen. Onder begeleiding van de NPCF is een patiëntenpanel opgezet dat projectideeën en onderzoeksaanvragen vanuit patiëntenperspectief beoordeelt. Aan de hand van een speciaal ontwikkeld beoordelingsformulier hebben de vooraf getrainde referenten uit het panel inmiddels 360 aanvragen uit vier GGG-rondes beoordeeld (267 projectideeën en 93 uitgewerkte aanvragen). Ook hebben zij aanvragers adviezen gegeven over het betrekken van ervaringsdeskundigen bij de uitvoering van hun onderzoek.

vlnr: Marja Mijl, Gerdi Verbeet, Marilou Muris-Nyst, Peter Paul Tabak (achter), Dominique Hamerlijnck, Ellen van Veldhuizen, Tony de Ronde, Mariëtte Driessens, Wilna Wind.

Anders leren kijken

Bij de uitreiking zei Pauline Meurs over de Parel: ‘Bij ZonMw zien we veel goede initiatieven voorbij komen. Maar dit project sprong er echt uit. Als we het perspectief van de patiënt een goede plek willen geven, moeten onderzoekers anders leren kijken en zich bewust worden van het belang van ervaringsdeskundigheid. Daar draagt het patiëntenpanel duidelijk aan bij.’ ZonMw zet het patiëntenpanel inmiddels ook in bij andere programma’s, zegt Meurs. ‘En we denken erover om het panel niet alleen een rol te geven bij de beoordeling van aanvragen, maar ook mee te laten kijken naar uitvoering en rapportages van onderzoek.’

Stap in emancipatieproces

NPCF-voorzitter Gerdi Verbeet zei trots te zijn op de Parel, maar ze gaf alle eer aan het patiëntenpanel zelf. ‘De inzet van ervaringsdeskundigheid in wetenschappelijk onderzoek staat nog maar aan het begin. Ik zie het als een belangrijke stap in een emancipatieproces. Geneesmiddelenonderzoek wordt vooral gedaan op jonge witte mannen. De resultaten gaan over effecten op een gemiddelde patiënt. Maar er is niet één gemiddelde patiënt. Door een diverse groep te betrekken, komen we ook tot resultaten die relevant zijn voor andere patiënten. Dat leidt uiteindelijk tot beter gezondheidsonderzoek.’

Film: ZonMw Parel voor Patiëntenparticipatie Goed Gebruik Geneesmiddelen

Han Brunner: ‘Genetica verandert de geneeskunde’

man leunt op katheder tijdens discussie
Han Brunner discussieert met het deskundigenpanel uit het werkveld

Volgens Han Brunner, hoogleraar Klinische genetica Radboudumc en Maastricht UMC+, verandert kennis van het genoom de geneeskunde radicaal. Maar dan moeten we wel durven kiezen. In zijn bijdrage legde Brunner een paar prikkelende stellingen voor aan het deskundigenpanel.

Afwijken van protocollen

Voor prof. dr. Han Brunner is het duidelijk: de kennis van het menselijke genoom zorgt voor revolutionaire veranderingen in diagnose en behandeling. Mits we keuzes durven maken. Bijvoorbeeld als het gaat om gerichte therapieën. ‘Durven we van de protocollen af te wijken en ook zonder uitgebreide RCT’s te kiezen voor behandelingen die bij een bepaalde genetische opmaak heel goed werken?’

Het deskundigenpanel met vlnr Mariëtte Driessens - VSOP, Marja Kuijpers - Zorginstituut Nederland, Tim Kniep - Achmea, Frans van de Vaart - KNMP en Sabine Linn - oncoloog NKI-AvL

Wel of geen parachute?

Panellid en oncoloog prof. dr. Sabine Linn van het NKI-AvL vond van wel. ‘Traditioneel onderzoek leidt tot de optimale behandeling voor de gemiddelde patiënt. Het probleem is alleen dat die helemaal niet bestaat.’ Als een innovatieve therapie duidelijk werkt, wil Linn daar snel mee kunnen werken. ‘Het is nog nooit gerandomiseerd onderzocht of je het beste met of zonder parachute uit een vliegtuig kunt springen. Dat hoeft ook niet, want we begrijpen het mechanisme achter beide opties. Zoiets kunnen we in de geneeskunde ook steeds beter. Als tien patiënten met een bepaalde afwijking goed reageren, heb je ook zo’n mechanisme te pakken. Ik zeg dan: niet eerst een RCT, maar gewoon aan de slag met nummer 11.’

Geen nodeloos gezoek

Ook in diagnostiek biedt genetica veel kansen. Bij uiterst zeldzame aandoeningen kun je uit een grote berg data net die paar spelden in de hooiberg vinden, schetste Brunner de mogelijkheden. ‘Dat soort betrekkelijk dure diagnostiek wil ik ook inzetten als er niet meteen een kosteneffectieve behandeling bij te vinden is. Als je weet hoe het zit, voorkom je veel nodeloos gezoek.’ Dr. Mariëtte Driessens van patiëntenkoepel VSOP: ‘Vroegdiagnostiek vergroot inderdaad de acceptatie. Dan kunnen de betrokkenen stoppen met speuren naar de oorzaak, en beginnen met de vraag hoe je ermee kunt omgaan.’

GGG-congres inspireert deelnemers

Met ruim 300 bezoekers was het GGG-congres 2015 royaal uitverkocht. In de zalen en op de galerijen van de Beurs van Berlage zoemde het van de energie om samen te werken aan beter geneesmiddelengebruik. Wat vonden de deelnemers vooral interessant? En wat hoopten ze te kunnen halen én brengen?

‘Ik hoop vooral inspirerende contacten op te doen. Maar ik kom zeker ook voor de inhoud. Bijvoorbeeld als het gaat om personalised medicine. Daar houden wij ons ook veel mee bezig. Ik ben op zoek naar samenwerkingspartners om nieuwe ontwikkelingen op dat vlak voor de praktijk goed toepasbaar te kunnen maken.’
Monique Kappert, manager Zorgonderzoek & Innovatie, KNMP

Monique Kappert, manager Zorgonderzoek & Innovatie, KNMP
Catherine Enters-Weijnen, directeur Primary Care Research, Julius Clinical

‘Ik ben hier vandaag om te zien wat er zoal gebeurt op het raakvlak publiek-privaat. Er zijn hier farmaceuten aanwezig, maar ook partners als NIVEL en RIVM. Ik kom met name voor nieuwe contacten. En voor informatie over recente ontwikkelingen, bijvoorbeeld rond antistolling. Daar gaan wij als het goed is binnenkort een review over uitvoeren.’
Catherine Enters-Weijnen, directeur Primary Care Research, Julius Clinical

‘Ik ben met name geïnteresseerd in projecten over chronisch medicijngebruik en de toepassing van specialistische geneesmiddelen. Ik praat mee in de rondetafelgesprekken bij het ministerie, bijvoorbeeld rond de behandeling van MS. Ook een bijdrage aan het GGG-programma sluit ik op termijn zeker niet uit. Ik ben medisch bioloog en gezondheidseconoom. Die expertise zou ik kunnen inzetten voor het werk aan gepast gebruik van geneesmiddelen.’
Martijn Groot, hoofd Pricing & Market Acces, Novartis Pharma B.V.

Martijn Groot, hoofd Pricing & Market Acces, Novartis Pharma B.V.
Sander Borgsteede, apotheker medicatiebewaking, Stichting Health Base

‘Wij maken beslisondersteuningstools voor huisartsen en apothekers, zodat ze via hun software hulp krijgen bij de keuze voor de juiste medicatie. We hebben een projectaanvraag ingediend voor het begeleiden van mensen met levercirrose. Als we kennis daarover implementeren in softwaresystemen, kunnen zorgverleners on the job feedback krijgen. En door patiënten te informeren over veilige geneesmiddelen, kunnen we ook hen beter voorbereiden op hun gesprekken met de zorgverlener.’
Sander Borgsteede, apotheker medicatiebewaking, Stichting Health Base

Erik Holl, commercieel directeur Janssen Pharmaceuticals/Johnson-Johnson en Hans Kuijpens, medisch adviseur, Coöperatie VGZ

‘Ik zit op het dossier dure en nieuwe geneesmiddelen en verwacht dat de belangrijkste spelers een interessant verhaal hebben. Het valt me wel op dat er vanuit onze sector amper inbreng in het programma is. Terwijl wij wél de zak met geld op tafel moeten zetten. Maar, elders krijg ik voldoende gelegenheid om mijn input te leveren. Laat ik eerst maar eens rustig gaan luisteren.’
Hans Kuijpens, medisch adviseur, VGZ

‘Wij leveren zogeheten dure genees-middelen. Dat is een hot topic. Ons gemeenschappelijk belang is goede zorg voor de patiënt. Het is belangrijk hier met elkaar van gedachten te kunnen wisselen; we hebben elkaar nodig.’
Erik Holl, commercieel directeur Janssen Pharmaceuticals/Johnson-Johnson

Subsessies

Tijdens 10 subsessies passeerden verschillende onderwerpen rond het thema Therapie op maat. Hieronder treft u een impressie van de betreffende subsessies, de presentaties en eventuele links naar de GGG-projecten.

1. Chronische ontstekingsziekten

mannelijke spreker voor volle zaal
Bart Cuppen voor een volle zaal

Therapie op maat bij chronische ontstekingsziekten

Biologicals leveren een enorme bijdrage aan de behandeling van chronische ontstekingsziekten, zoals reuma en IBD. Om de zorg verder te verbeteren, is het nodig te bepalen welk middel voor welke patiënt de beste keuze is. Behandeling met biologicals wordt momenteel langdurig voorgeschreven, maar mogelijk kunnen bepaalde patiënten er na verloop van tijd ook weer mee stoppen.

Sessievoorzitter: drs. Martin Favié, Bogin

Sprekers:
mevr. dr. M.J.H. Coenen, Radboudumc
dr. T.L.Th.A. Jansen, Radboudumc
drs. B.V.J. Cuppen, UMC Utrecht

In deze druk bezochte sessie laten drie sprekers, onder leiding van sessievoorzitter drs. Martin Favié, zien welke vorderingen er zijn gemaakt rond therapie op maat bij chronische ontstekingsziekten. Het werd een interessante sessie met een geanimeerde discussie.

Thiopurine dosering gebaseerd op de genetische code van het TPMT gen resulteert in een veiligere behandeling van patiënten met inflammatoire darmziekten.

Dr. Marieke Coenen presenteerde de resultaten van de studie over genotypering van inflammatoire darmziekten. Medicatie met thiopurines wordt steeds sneller ingezet.
Uit het onderzoek komt naar voren dat dosering op basis van het TPMT-genotype resulteert in minder hematologische bijwerkingen in patiënten en dat dit leidt tot een kostenbesparing. In Nederland zijn 30.000-60.000 patiënten met inflammatoire darmziekten. Van de nieuwe patiënten start een derde met thiopurines. Een genetische test bij 1000 patiënten kan al 1.8 miljoen euro besparen. Een bedrag dat vele sessiebezoekers als significant ervaren.

Predictie van respons op biologicals in Reumatoïde Artritis

In de afgelopen tien jaar worden patiënten met reumatoïde artritis voornamelijk behandeld met biologicals. Een deel van de RA-patiënten reageert niet op deze behandeling.
Als respons uitblijft op andere therapie heeft deze gewrichtsschade tot gevolg. Bovendien worden er dure geneesmiddelen gebruikt. Als deze geen effect hebben, wordt de patiënt onnodig blootgesteld aan toxische effecten en worden er schaarse middelen verspild. Volgens drs. Bart Cuppen is personal treatment de oplossing. Patiënten in de regio Utrecht die starten met een biological worden gevraagd om vooraf bloed af te staan en vragenlijsten in te vullen voor onderzoek. Na een jaar wordt onderzocht of er al onderscheid kan worden gemaakt tussen goede en slechte respons op behandeling.
Door middel van een predictiemodel trachten de onderzoekers te voorspellen welke patiënten gaan uitvallen, door middel van een zogenoemde risicoscore. Het uiteindelijke doel van Cuppen is het ontwikkelen van biomarkermodellen waar de respons op biologicals nauwkeuriger kan worden voorspeld.

POEET studie

Dr. Tim Jansen presenteerde de resultaten van de studie Potential Optimalisation of Expediency of TNF-inhibitors in RA (POEET).
Patiënten met reumatoïde artritis ervaren vaak een flink verlies in kwaliteit van leven en een verhoogde vermoeidheid. RA-patiënten worden vaak succesvol behandeld met TNF-blokkers. De kern van deze studie is om te achterhalen of het mogelijk is om een biologicalvrije remissie te krijgen. Er is een richtlijn om RA-patiënten in remissie te brengen. Lukt dit niet, dan wordt er binnen een half jaar overgegaan op een biological biomarker. Als de patiënt vervolgens niet op korte termijn in remissie raakt, wordt er vervolgens gesubstitueerd. Gestreefd wordt naar remissie binnen vijf jaar. Indien onsuccesvol, kan worden overwogen af te bouwen of te stoppen met de behandeling.
De onderzoekers dachten dat er meer kanker zou optreden bij het gebruik van TNF-blokkers. Dit bleek achteraf mee te vallen. Twee derde van de patiënten stopt met de behandeling en een derde blijft doorgaan met de behandeling. Bij het optreden van een flare, had de arts de keus om te stoppen.
In ruim twee jaar tijd zijn er ongeveer 800 patiënten geïncludeerd. De resultaten uit dit onderzoek tonen aan dat een biologicalvrije remissie haalbaar is bij de helft van de patiënten.

2. Astmacontrole

De zaal luistert naar dhr Sont, spreker
Het onderzoek van Jaap Sont vergeleek bij volwassenen verschillende strategieën voor astmamanagement.

Astmacontrole en therapietrouw: een uitdagend duo

Astma heeft een grote impact op het leven van een patiënt. Vaak hebben patiënten hun astma onvoldoende onder controle. In hoeverre is langdurige behandeling met hoge doses combinatietherapie gewenst om dat te bereiken? Hoe kan de therapietrouw bij kinderen worden bevorderd en zorgt dit voor een betere astmacontrole? En leiden kennis en betere vaardigheden, zelfmanagement en een betere communicatie met de zorgverlener tot een hogere therapietrouw en een betere kwaliteit van leven?

Sessievoorzitter: prof. dr. Peter de Smet, KNMP

Sprekers:
mevr. dr. P.M.L.A. van den Bemt, Erasmus MC
dr. J.K. Sont, LUMC
P. den Daas, Pfizer
mevr. I. van der Gun, MSc, Long Alliantie Nederland

Tijdens deze subsessie werden verschillende aspecten rondom astmacontrole en therapietrouw belicht.

Smsje

Er was aandacht voor therapietrouw van kinderen; dr. Patricia van den Bemt onderzocht de effectiviteit van een apparaatje in de inhalatiemedicatie dat een smsje verstuurt als er een gift vergeten dreigt te worden. De sms-herinnering bleek de therapietrouw te verhogen, maar had geen effect op astmacontrole, kwaliteit van leven en astma aanvallen. Vervolgonderzoek richt zich op ernstige astma bij een grotere groep patiënten.

Gezamenlijk bespreken

De onderzoeksgroep van dr. Jaap Sont vergeleek bij volwassenen verschillende strategieën voor astma management. De strategie waarbij een biomarker wordt gebruikt om een goede astmacontrole te krijgen heeft de voorkeur. Het is echter belangrijk dat de mate van astmacontrole door de arts en de patiënt gezamenlijk wordt besproken.

Voorlichting leidt niet tot gedragsverandering

Uit een gezamenlijk project van Achmea, een viertal farmaceutische bedrijven en het Jan van Es Instituut bleek dat het geven van voorlichting aan astmapatiënten en zorgverleners niet tot een gedragsverandering leidt met betrekking tot therapietrouw. Mogelijk heeft het meer effect als de interventie na 6 maanden herhaald wordt, als de samenwerking tussen zorgverleners beter gefaciliteerd wordt en als de interventie beter wordt ingebed in de hele zorgorganisatie.

Landelijke infrastructuur voor eenduidige inhalatie instructie

De diverse sprekers zijn het er over eens dat astmapatiënten hun inhalatiemedicatie niet altijd goed gebruiken. De Long Alliantie Nederland (LAN) heeft een rapport geschreven over het goed gebruik van inhalatiemedicatie. De LAN adviseert om geen preferentiebeleid toe te passen en om protocollen te implementeren in bestaande informatiesystemen. In de toekomst wil men een landelijke infrastructuur ontwikkelen voor een eenduidige inhalatie instructie. Nu al is veel informatie over een juiste inhalatietechniek te vinden op de website www.inhalatorgebruik.nl. Deze website is voor zowel patiënten als zorgverleners.

3. Antibiotica

de gevulde zaal bij sessie antibiotica
Suzanne Geerlings tijdens de sessie Antibiotica: 'Nederland is internationaal gezien erg terughoudend met antibiotica.'

Gepast gebruik van antibiotica

Antibiotica blijven effectief als we ze verstandig gebruiken; niet te vaak en op de goede manier. Binnen het programma Priority Medicines Antimicrobiële Resistentie lopen onderzoeksprojecten die zich richten op gepast gebruik van antibiotica. Hoe worden de resultaten in de praktijk ingezet om gepast gebruik te bevorderen?

Sessievoorzitter: prof. dr. Jan Prins, AMC

Sprekers:
mevr. dr. S.E. Geerlings, AMC
prof. dr. C.M.P.M. Hertogh, VUmc
dr. ir. W. van Schaik, UMC Utrecht
mevr. dr. A.W. van der Velden, UMC Utrecht

Nog veel te verbeteren

Onder leiding van prof. dr. Jan Prins, hoogleraar interne geneeskunde aan het AMC, passeerden in hoog tempo vier onderzoeken op het terrein van gepast gebruik van antibiotica. AMC-internist dr. Suzanne Geerlings presenteerde de RIANT-studie, die kwaliteitsindicatoren ontwikkelt voor antibioticagebruik in ziekenhuizen. Hoewel Nederland internationaal gezien erg terughoudend is met antibiotica – waardoor de resistentie nog niet zo algemeen is als in veel andere landen – blijkt er nog wel het nodige te verbeteren. Zo kreeg in de deelnemende ziekenhuizen minder dan de helft van de patiënten antibiotica volgens de richtlijn. Een praktijktest moet uitwijzen of de ontwikkelde indicatoren winst kunnen opleveren, ook voor de patiënt.

Sessievoorzitter Jan Prins (l) en spreker Wim van Schaik beantwoorden vragen van deelnemers in de zaal

Precair evenwicht

Op het voorzichtige antibioticagebruik is in Nederland één duidelijke uitzondering: preventief gebruik in de intensive care. Dr. ir. Wim van Schaik, medisch microbioloog aan het UMC Utrecht, schetste resultaten uit een onderzoek naar ‘selectieve decontaminatie’; het preventief ontsmetten van keelholte en darmen van IC-patiënten. Dat blijkt levens te redden, maar het evenwicht is precair. Het risico bestaat immers dat het forse antibioticagebruik in deze aanpak uiteindelijk ook resistentieproblemen oplevert. Het besef van de risico’s lijkt evident, maar in de praktijk laten artsen zich niet altijd door rationele argumenten leiden, ontdekte Van Schaik.

Rationeler voorschrijven

In het IMPACT-project ontwikkelde prof. dr. Cees Hertogh, specialist ouderengeneeskunde aan het VUmc, een intensieve verbeterstrategie in verpleeghuizen. De studie laat zien dat rationeler voorschrijven kan worden bevorderd, maar dat artsen vaak toch weer ‘terugzakken’ in oude gewoonten. Uit interviews blijkt onder meer dat specialisten ouderengeneeskunde soms handelen volgens het principe ‘better safe than sorry’. Of ze ervaren druk vanuit de familie om toch maar antibiotica voor te schrijven.

Gedragsverandering blijkt moeizaam

Vanuit de zaal kwam de vraag of we nog wel moeten investeren in nader onderzoek. Kunnen we niet beter alle energie stoppen in het implementeren van de richtlijn? Volgens Suzanne Geerlings zijn ook daar geen wonderen van te verwachten. ‘Zelfs met een maximale implementatiestrategie – met educatie en beloningselementen – zagen wij maar 15 procent verbetering. Gedragsverandering is nu eenmaal een moeizaam proces.’ En dat proces wordt door veel factoren beïnvloed, zo bleek uit de presentatie van dr. Alike van Velden van het Julius Centrum. Ook huisartsen volgen lang niet altijd de richtlijn, ontdekte zij. Vanwege tijdsdruk, uit gewoonte of door angst voor onderhandeling. Artsen en ouders weten vaak beter, maar geven een kind bij twijfel tóch liever een kuur.

4. Antidepressiva

De zaal tijdens de sessie Antidepressiva
Tijdens deze sessie stond de vraag centraal: op welke wijze kan er onderzoek worden gedaan naar het gebruik én afbouwen van antidepressiva en welke ervaringen zijn daarmee al opgedaan?

Antidepressiva-onderzoek: waar begin je aan?

Onderzoek naar het afbouwen van antidepressiva levert vaak maar moeilijk resultaten op. Niet alleen is het afbouwen van antidepressiva veelal een moeizaam en langdurig traject voor patiënten. Vaak willen zij om diverse redenen ook niet deelnemen aan gerandomiseerd onderzoek op dat gebied.

Sessievoorzitter: prof. dr. Frans Zitman, LUMC

Sprekers:
mevr. dr. L.E. Visser, Erasmus MC
dr. P.L.J.B. Lucassen, Radboudumc
mevr. dr. N. Batelaan, GGZ inGeest

Antidepressiva bij ambulante ouderen in de eerste lijn

Steeds meer ouderen gebruiken antidepressiva. Dr. Loes Visser onderzocht de incidentie en prevalentie van gebruik, behandel-richtlijnen en therapietrouw in de eerste lijn met behulp van gegevens uit de IPCI- en ERGO-databases. Ze concludeert dat er een toename is in gebruik van antidepressiva. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door langduriger en herhaald gebruik. Antidepressiva worden niet langer meer het meest voorgeschreven voor depressieve stoornissen, maar ook steeds meer voor andere indicaties. Depressieve gevoelens blijven wel de grootste zelfgerapporteerde indicatie. Voorschrijvers van antidepressiva houden zich niet altijd aan behandelrichtlijnen wat betreft indicatiestelling, voorkeursmiddel, behandelduur en monitoringeffectiviteit. Therapietrouw onder oudere gebruikers is zeer hoog.

Lange termijn gebruik van antidepressiva

Langdurig gebruik van antidepressiva draagt bij aan de exponentiële toename van het antidepressivagebruik in het laatste decennium.
Dr. Peter Lucassen bespreekt de resultaten van zijn interventie naar overbehandeling (wanneer patiënten teveel en te lang antidepressiva gebruiken) en onderbehandeling (wanneer patiënten langdurig een lage dosis slikken zonder resultaat) van antidepressiva. Hij concludeert dat het lastig is om langdurig antidepressivagebruik te staken. Er was vaak weerstand, zowel bij de huisarts als bij de patiënt. Dit resulteerde in een kwalitatief onderzoek naar de reden achter deze weerstand. Lucassen adviseert huisartsen niet te zeggen dat er een stofje ontbreekt en dat een depressie chronisch is. Daarnaast zouden huisartsen overtuigender moeten zijn over het succes van stoppen.

Angststoornissen en antidepressiva

Een groot deel van de mensen met een angststoornis herstelt door middel van antidepressiva. Helaas vallen deze antidepressiva-gebruikers binnen enkele weken tot maanden terug nadat met antidepressiva gestopt wordt. In de MASTER-studie onderzocht dr. Neeltje Batelaan de medicatieafbouw binnen 4 maanden met cognitieve gedragstherapie ter voorkoming van terugval. Uit de voorlopige resultaten blijkt dat er desondanks de terugvalpreventie veel terugval was, niet alleen naar de oorspronkelijke stoornis maar ook naar andere angststoornissen of depressie. Veel patiënten hadden moeite met het afbouwen van de medicatie. Er vond dan ook vaak een herstart van medicatie plaats. Helaas bleek na herstart de medicatie niet altijd meer effectief. Batelaan adviseert dan ook om medicatie niet meer als eerste stap in te zetten maar te starten met cognitieve gedragstherapie.

Afbouwen of onnodig starten

Een aantal patiënten in de zaal bediscussieert de noodzaak van het stoppen van antidepressiva. Sommige patiënten zijn erg gebaat bij het gebruik van antidepressiva en zien niet de voordelen van een ‘pilloos’ bestaan. De onderzoekers vinden dat deze discussie moet plaatsvinden tussen patiënt en arts, waarbij de patiënt de ruimte krijgt om mee te denken. Rationeel antidepressivagebruik blijkt vooral een kwestie te zijn van het voorkomen van onnodig starten in plaats van het afbouwen van gebruik.

5. Patiëntenparticipatie in wetenschappelijk onderzoek

het discussiepanel bestaande uit 5 vrouwen
Het discussiepanel: vlnr dr. Ellen Koster, dr. Nicole van de Kar, drs. Jolanda Huizer, Ellen van Veldhuijzen en dr. Mariëtte Driessens
close up vrouwelijke spreker
Projectleider drs. Marilou Muris-Nyst

Patiëntenparticipatie maakt GGG-onderzoek relevanter

Tijdens een speciale lunchsessie besprak een forum van deskundigen de meerwaarde van patiëntenparticipatie voor geneesmiddelenonderzoek. Het perspectief van de patiënt vergroot de relevantie van het onderzoek. En het verbetert soms ook de behandeling.

Sessievoorzitter: Inge Diepman

Sprekers:
mevr. drs. M. Muris-Nyst, coördinator patiëntenpanel NPCF

Discussiepanel:
Ellen van Veldhuizen –patiëntenpanel NPCF
dr. Mariëtte Driessens - patiëntenpanel NPCF
drs. Jolanda Huizer - coördinator patiëntparticipatie ZonMw
dr. Nicole van de Kar - onderzoeker Radboudumc
dr. Ellen Koster - onderzoeker Universiteit Utrecht

Gek van de jeuk

Steeds meer onderzoekers ontdekken de toegevoegde waarde van het betrekken van ervaringsdeskundigen in hun project. Ze geven (ex-)patiënten, mantelzorgers of ouders van kinderen een plek binnen hun onderzoek. Volgens Parel-winnares drs. Marilou Muris-Nyst (NPCF) is de inbreng van de patiënt vaak onmisbaar om de relevantie van onderzoek te vergroten. Ze noemt brandwonden als voorbeeld. ‘Patiënten zeiden: onderzoekers storten zich steeds op het thema pijn, maar als patiënt word ik vooral gek van de jeuk. Daar weten we nog veel te weinig over.’

Relevantie kunnen uitleggen

In een korte film vertelden panelleden over hun ervaringen met het beoordelen van onderzoeksaanvragen. Volgens panellid Hester Rippen moeten onderzoekers vaak nog wennen aan de inbreng van de patiënt. Maar door de vragen vanuit het patiëntenpanel krijgen ze meestal veel scherper in beeld wat hun onderzoek bijdraagt voor de patiënt. Rippen noemt de panelbeoordeling een goede toets. ‘Als je als onderzoeker niet aan de patiënt kunt uitleggen waarom het relevant is, dan vraag ik me af óf het onderzoek wel relevant is.’

Therapie preciezer inzetten

Dr. Nicole van de Kar, kinderarts-nefroloog in het Radboudumc, herkent zich in de film: ‘Als onderzoeker heb je vooral een drive te begrijpen hoe iets in elkaar zit. Maar eenmaal in de kliniek zie je hoe belangrijk het is om een goede vertaling te maken naar de patiënt.’ En dat bedoelt ze ook letterlijk. ‘Ik heb geleerd om wat ik bestudeer helder uit te leggen, zonder ingewikkeld wetenschappelijk jargon. Als een patiënt het snapt, kan hij ook weer beter meedoen in de behandeling. En mij duidelijker uitleggen hoe het gaat. Zo kun je een therapie veel preciezer inzetten.’

‘Vroeger was patiëntenparticipatie nogal eens een kwestie van windowdressing. Onderzoekers vulden plichtmatig de betreffende paragraaf in om te voldoen aan de subsidievoorwaarden. Dat is echt aan het veranderen. Je ziet dat onderzoekers steeds bewuster nadenken hoe de inbreng van ervaringsdeskundigen al bij de beoordeling van een onderzoeksaanvraag de relevantie van hun project kan vergroten.’ Dat zei Marilou Muris-Nyst nadat ze de ZonMw Parel in ontvangst had genomen voor het NPCF-patiëntenpanel.

Marilou Muris-Nyst: ‘Participatie geen windowdressing meer’

Het patiëntenpanel is gestart als pilot in het kader van een convenant tussen ZonMw en de NPCF, aldus Muris-Nyst. Om het panel verder te professionaliseren werkt de NPCF aan een verdiepingstraining. Daarin is extra aandacht voor ethische thema’s, nieuwe onderzoeksmethoden en oog voor diversiteit. Muris-Nyst: ‘Het panel bestaat vooral uit hoger opgeleiden, al was het maar omdat ze projectaanvragen in het Engels moeten kunnen beoordelen. Maar het is ook belangrijk projecten te beoordelen op relevantie voor een zo groot mogelijke doelgroep. Een project kan misschien wel leiden tot een heel relevante en slim ontworpen interventie, maar die moet uiteindelijk ook werken bij mijn minder hoog opgeleide buurman.’

6. Personalised Medicine

De gevulde zaal tijdens de sessie
Gepersonaliseerde geneeskunde is niet langer een droom, maar een kwestie van tijd.

Personalised Medicine: de toekomst!

Personalised Medicine is een veelgebruikte term die het ideaalbeeld schetst van individuele patiëntenzorg op maat. Hogere overlevingskansen, geen onder- en overbehandeling, minder bijwerkingen en doelmatig gebruik van geneesmiddelen per individu. Maar in hoeverre wordt deze belofte al ingelost? En wat is er nog nodig aan onderzoek?

Sessievoorzitter: prof. dr. Gerrit Meijer, NKI-AvL

Sprekers:
prof. dr. G.A. Meijer, NKI-AvL
mevr. prof. dr. S.C. Linn, NKI-AvL
mevr. dr. M. Koopman, UMC Utrecht

Voorzitter prof. dr. Gerrit Meijer opende de sessie met de veelbelovende titel: ‘Personalised Medicine: de toekomst!’.

Vragen en mentaliteitsverandering

Volgens Meijer vergt gepersonaliseerde geneeskunde op basis van het humane genoom meer dan alleen het beschikbaar maken van de techniek aan een ieder die met DNA-sequencing aan de slag wil. Er zijn nog heel veel vragen die beantwoord moeten worden om dit tot een succes te maken, met name op het gebied van dataregistratie, -opslag en -analyse. Daarnaast is een verandering van de mentaliteit van onderzoeker, zorgverlener, patiënt en overheid nodig. Er moet een omgeving worden gecreëerd waarin innovatief onderzoek kan worden geïmplementeerd in de dagelijkse praktijk zonder dat deze onderweg sneuvelen.
Maar er is hoop volgens Meijer. Partijen zoals BBMRI en CTMM, waarin diverse stakeholders vertegenwoordigd zijn, proberen het benodigde landschap vorm te geven zodat de weg naar meer gepersonaliseerde geneeskunde steeds minder beren op de weg zal kennen.

Verbeterde klinische en moleculaire classificatie

Dr. Miriam Koopman gaf de sessiebezoekers meer inzicht in het Prospective data Collection Initiative on Colorectal cancer, ook wel PICNIC genoemd. Dit nationaal cohort heeft als doel het verbeteren van de indeling en behandeling van patiënten met een stadium II/III coloncarcinoom door middel van een verbeterde klinische en moleculaire classificatie. Uiteindelijk zal dit leiden tot meer biomarkers die de positieve en negatieve effecten van geneesmiddelen binnen de oncologie kunnen voorspellen waardoor de patiënt de voor hem/haar beste farmacotherapeutische behandeling krijgt. 

Verminder over- en onderbehandeling

De laatste spreker was prof. dr. Sabine Linn die iedereen meenam in de strijd tegen borstkanker, waarin steeds meer een behandeling op maat plaatsvindt in plaats van de traditionele ‘one size fits all’ benadering.  
‘Hoe kan de uitkomst van behandeling bij borstkanker verbeteren?’, was de centrale vraag. Verminder over- en onderbehandeling, behandel op maat en identificeer prognostische en predictive factoren. De MammaPrint is een prognostische test die het mogelijk  maakt onderscheid te maken tussen patiënten met een gunstig en een ongunstig profiel binnen kliernegatief mammacarcinoom.
Ook een voorbeeld van een predictive test werd besproken, BRCA-like signatuur. Patiënten met een BRCA-like borstkanker signatuur hebben selectief baat bij hoge dosis CTC-chemotherapie met stamceltransplantatie; het risico op overlijden is 5x lager dan na standaard chemotherapie.

Een sessie die behalve informatief ook inspirerend was. De sprekers deden de titel eer aan en lieten zien dat meer gepersonaliseerde geneeskunde niet langer een droom is, maar een kwestie van tijd.

7. Antistolling

Spreker Martin Hemels aan het woord
Martin Hemels: 'Er is nog veel te verbeteren als het gaat om voorschrijven van adequate stollingsmedicatie conform de richtlijnen.'

Antistolling: een delicate balans

Bij het inzetten van antistollingsmiddelen gaat het om een balans tussen het voorkomen van trombose en het vermijden van ongewenste bloedingen. Het gebruik van zowel oude als nieuwe antistollingsmiddelen vergt meer kennis over veiligheid en effectiviteit in de dagelijkse praktijk.

Sessievoorzitter: prof. dr. Gerard Rongen, Radboudumc

Sprekers:
dr. M.E.W. Hemels, Rijnstate
mevr. dr. V.H.M. Deneer, St. Antoniusziekenhuis
prof. dr. M.V. Huisman, LUMC

Ruimte voor verbetering

Onder voorzitterschap van prof. dr. Gerard Rongen, hoogleraar Translationeel cardiovasculair onderzoek aan het Radboudumc, presenteerden drie onderzoekers hun studies naar antistollingsmiddelen. Dr. Martin Hemels, cardioloog in het Rijnstate, voorspelde dat het aantal mensen dat de zogeheten NOAC’s (Nieuwe Orale Anti Coagulantia) gebruikt zal groeien. De stijgende incidentie van ischemische CVA’s vraagt om betere zorg in de keten, stelde hij. Ook is er nog veel te verbeteren als het gaat om voorschrijven conform de richtlijnen. Een groot Australisch onderzoek liet zien dat slechts 27% van de patiënten adequate stollingsmedicatie conform de richtlijnen kreeg. Hemels heeft geen redenen om aan te nemen dat de situatie in ons land veel beter is. Zeker nu patiënten gemiddeld ouder worden én langer thuis blijven, is het bovendien nodig om tot goede richtlijnen te komen in samenspraak met de eerste lijn.

Duurder maar effectiever

Prof. dr. Menno Huisman, hoogleraar Interne Geneeskunde aan het LUMC, vindt dat we in Nederland tot nu toe voorzichtig zijn geweest met de introductie van NOAC’s. Vitamine K-antagonisten zijn nog altijd populair, terwijl bij nog maar zo’n 10% van de patiënten een NOAC wordt voorgeschreven. Wel zeggen de meeste cardiologen dat het nuttig is om onderzoek te doen naar de doelmatigheid van deze nieuwe middelen. NOAC’s zijn volgens Huisman een goede optie. De medicijnen zijn weliswaar duurder, maar ze zijn ook veel patiëntvriendelijker. En uiteindelijk pakt dit naar zijn inschatting beter uit, als ze voor elke patiëntengroep zoals oudere patiënten effectiever werken en er minder complicaties te verwachten zijn. Doelmatigheidsonderzoek moet dat de komende tijd gaan aantonen.

Gericht voorkomen van stolling

Dr. Vera Deneer, ziekenhuisapotheker van het St. Antoniusziekenhuis, presenteerde een onderzoek naar het effectief voorkomen van bloedstolsels in stents. Bij patiënten met een hartinfarct wordt na een dotterbehandeling een stent in de kransslagader geplaatst. Vervolgens krijgen zij bloedplaatjesremmers, bijvoorbeeld clopidogrel, om stolselvorming te voorkomen. Deneer noemde het kansrijk te zoeken naar specifieke behandelingen bij patiënten met een genetische variatie die de werkzaamheid van dit middel beïnvloedt. Deneer: ‘Het lukt inmiddels goed om patiënten snel te genotyperen. Met de resultaten van deze studie verwachten we een klinisch gelijkwaardige therapie te kunnen ontwikkelen, die veilig is en bovendien een stuk goedkoper dan de standaard aanpak.

8. Geneesmiddelengebruik bij zwangeren

Sprekers Janneke van der Woude tijdens sessie geneesmiddelen zwangeren
Janneke van der Woude: 'Zwangere vrouwen worden tegenwoordig veel benaderd om te participeren in onderzoek.'

Geneesmiddelengebruik bij zwangeren: praktijk en onderzoek

Tijdens de zwangerschap kunnen vrouwen aangewezen zijn op een geneesmiddel. Van sommige geneesmiddelen is echter nog niet precies bekend of deze tijdens de zwangerschap veilig gebruikt kunnen worden. Vanwege risico’s voor zowel de vrouw als het ongeboren kind is onderzoek naar geneesmiddelen tijdens de zwangerschap gecompliceerd.

Sessievoorzitter: prof. dr. Catherijne Knibbe, St. Antoniusziekenhuis

Sprekers:
mevr. drs. S. Vorstenbosch, Lareb
mevr. prof. dr. C.J. van der Woude, Erasmus MC
mevr. L.M. Freeman, MD, LUMC
       

Onder leiding van sessievoorzitter prof. dr. Catherijne Knibbe worden drie presentaties gegeven over het geneesmiddelengebruik bij zwangeren.

Volgen

Drs. Saskia Vorstenbosch gaat in op een register van geneesmiddelengebruik tijdens de zwangerschap. In dit register worden zwangere vrouwen die geneesmiddelen gebruiken gevolgd. 
Voor de verzameling van data zetten zij zelf vragenlijsten uit onder zwangere vrouwen. Ook is het register gekoppeld aan het EURAP-register (anti-epileptica) en de PRIDE Study (chronische aandoeningen en allergieën).

Saskia Vorstenbosch over het Lareb-register van geneesmiddelengebruik tijdens de zwangerschap

Veel gevraagd voor onderzoeken

Vervolgens gaat prof. dr. Janneke van der Woude in op het gebruik van anti-TNF blokkers tijdens de zwangerschap en het effect daarvan op het kind. Zwangere vrouwen worden tegenwoordig veel gevraagd om te participeren in onderzoeken. Hierdoor zijn ze wat terughoudender geworden om deel te nemen. Dat geldt ook voor dit onderzoek. Ook wordt tijdens deze presentatie duidelijk gemaakt hoe lastig het is om toestemming van beide ouders te krijgen om de ontwikkeling van een kind, dat tijdens de zwangerschap is blootgesteld aan anti-TNF, te volgen. Bovendien is het lastig om gegevens van huisartsen te krijgen.

Pijnstilling

Tot slot presenteert Liv Freeman, MD, de resultaten van het RAVEL-trial project waarin remifentanil en epidurale analgesie als pijnstilling tijdens de bevalling worden vergeleken. Duidelijk wordt dat epidurale analgesie een betere pijnstilling geeft dan remifentanil. Bovendien passeert remifentanil de placenta en hebben baby’s die blootgesteld zijn aan dergelijke opiaten een verhoogd risico op verslaving. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek krijgen vrouwen tijdens de bevalling vaker epidurale analgesie toegediend.

9. Geneesmiddelen bij ouderen

Spreker Erna Beers houdt presentatie voor volle zaal
Erna Beers 'Het is voor een adequate behandeling van belang om informatie te hebben over geneesmiddelen bij kwetsbare ouderen.'

Geneesmiddelen bij ouderen: hoe wegen we veiligheid en risico’s af?

Veel (chronische) aandoeningen doen zich vooral voor op oudere leeftijd. Voor een adequate behandeling is meer kennis nodig over geneesmiddelengebruik in deze groep. Een belangrijk thema in de ouderengeneeskunde is ‘demedicalisering’: het stoppen van medicatie waarvan de effectiviteit niet meer opweegt tegen de veiligheid voor de patiënt.

Sessievoorzitter: prof. dr. Rob van Marum, VUmc

Sprekers:
mevr. dr. E. Beers, AMC
dr. M. Eijgelsheim, Erasmus MC
dr. A.J.M. de Wit, Atrium MC

Informatie voor het voorschrijven aan ouderen

Het is voor een adequate behandeling van belang om informatie te hebben over geneesmiddelen bij kwetsbare ouderen. Dr. Erna Beers bespreekt welke informatie rondom medicatiegebruik bij oudere patiënten beschikbaar is voor professionals in de gezondheidszorg, zodat medicatie adequaat kan worden voorgeschreven. Ze concludeert dat informatie vanuit klinische trials wordt verzameld bij jongere patiënten en dat er vooral verbeteringen mogelijk zijn bij geneesmiddelentrials voor aandoeningen die niet uniek zijn bij ouderen. Daarnaast blijkt dat belangrijke informatie rondom de werking van geneesmiddelen bij ouderen ontbreekt in Europese handboeken en vaak niet toepasbaar is in de praktijk. Bij de beoordeling van onderzoeksvoorstellen is meer aandacht voor in- en exclusiecriteria van belang. Daarnaast moet er meer onderzoek worden gedaan naar het gebruik van geneesmiddelen door kwetsbare ouderen in de post-marketing fase. Vanuit de zaal wordt het idee geopperd om naast een patiëntenpanel ook een ouderenpanel in het leven te roepen.

Ventriculaire hartritmestoornissen ten gevolge van medicatiegebruik bij ouderen

Via een ECG kan het QT-interval gemeten worden. Een verlenging van dit interval verhoogt het risico op ventriculaire hartritmestoornissen en plotse hartdood. Dr. Mark Eijgelsheim onderzocht het effect van medicijnen op het QT-interval bij ouderen. Hij ontdekte dat meer QT verlengende medicijnen niet persé zorgen voor een hoger risico op QT-verlenging. De QT-duur moet bij individuele patiënten regelmatig geëvalueerd worden en een QT-verlenging moet worden gezien in de context van de gehele patiënt (personalised medicine). Het effect van een QT-verlenging op plotse hartdood is nog onbekend.

Geautomatiseerde beslisregels

Vanuit de IGZ worden medicatiereviews elk jaar geëist. Deze medicatiereviews nemen veel tijd in beslag. In het SCREEN-project onderzocht dr. Hugo de Wit het gebruik van geautomatiseerde klinische beslisregels, waarbij automatisch verschillende gegevens van de patiënt worden geëxtraheerd. In dit onderzoek zijn deze beslisregels toegepast in het ziekenhuis om delier en vallen te voorkomen. Uit tussentijdse analyses blijkt dat er geen verschil is in aantal doden en kwaliteit van leven. Bij toepassing van de klinische beslisregel komen echter andere medicatiefouten naar voren dan tijdens de standaard medicatiereviews bij een visite. De beslisregel kan dus gezien worden als een goede aanvulling. De beslisregels zullen in de toekomst algemeen beschikbaar komen.

10. Goed gebruik specialistische geneesmiddelen

een groepje staande mensen met elkaar in gesprek rond een flipover
Er is in subgroepen toegewerkt naar oplossingsrichtingen die zouden kunnen passen in een deelprogramma en die binnen 2 jaar tot mooie resultaten kunnen leiden.
terugkoppeling door Gertie Korevaar vanuit werkgroep
Gertie Korevaar (Reumafonds) geeft terugkoppeling vanuit een van de subgroepen

Goed gebruik specialistische geneesmiddelen: bundelen van krachten richting zorg op maat

Patiënten met kanker, reuma, IBD of MS gebruiken veelal specialistische medicatie. De zorg voor deze patiënten vraagt om specialistische kennis. Om optimale uitkomsten van de behandeling te realiseren, moet de zorg een samenspel zijn tussen de patiënt, medisch specialist, (ziekenhuis)apotheker en verpleegkundige.

Sessievoorzitter: dr. S.W. Tas, AMC

Sprekers:
mevr. dr. B.E. Vingerhoed-van Aken, ZonMw

Dr. Sander Tas, reumatoloog in het AMC en lid van de genees-middelencommissie van de Federatie van Medisch Specialisten, opende deze interactieve sessie door aan te geven dat op het vlak van specialistische medicatie veel kansen liggen op verbetering die van grote meerwaarde kunnen zijn wanneer zij in gezamenlijkheid worden opgepakt.

Verkenning

Dr. Benien Vingerhoed-van Aken, programmacoördinator van het ZonMw-programma Goed Gebruik Geneesmiddelen (GGG), introduceerde het initiatief Goed Gebruik Specialistische Geneesmiddelen. Hierin wordt samen met koplopers vanuit enkele farmaceutische bedrijven verkend of er een deelprogramma binnen GGG kan worden opgezet, dat gericht is op onderwerpen waar bij patiënten en zorgpartijen behoefte aan is. Een deelprogramma dat idealiter niet alleen opgezet wordt met steun vanuit farmaceutische bedrijven, maar ook vanuit zorgverzekeraars en fondsen.

Toewerken naar oplossingsrichtingen

Benien Vingerhoed schetste de uitkomsten van een focusgroepen-bijeenkomst met patiënten, verpleegkundig specialisten en ziekenhuisapothekers. Hieruit kwam naar voren dat op het gebied van informatievoorziening op geneesmiddelengroepsniveau, de begeleiding van therapietrouw en de begeleiding thuis belangrijke kansen liggen.
Voor deze thema’s hebben de sessiedeelnemers in subgroepen toegewerkt naar oplossingsrichtingen die zouden kunnen passen in een deelprogramma en die binnen 2 jaar tot mooie resultaten kunnen leiden. Hierbij is specifiek gekeken naar kansen bij reuma en oncologie. De oplossingsrichtingen en randvoorwaarden zijn tot slot plenair besproken onder leiding van Sander Tas.

Met dank aan de moderators van de werkgroepen: Mariëtte Driessens (VSOP), Gertie Korevaar (Reumafonds), Fatma Karapinar (Sint Lucas Andreas Ziekenhuis), Annemieke Sobels (HagaZiekenhuis), Bart van den Bemt (St. Maartenskliniek), Brigit van Soest (KNMP).

GGG-congres inspireert deelnemers

Met ruim 300 bezoekers was het GGG-congres 2015 royaal uitverkocht. In de zalen en op de galerijen van de Beurs van Berlage zoemde het van de energie om samen te werken aan beter geneesmiddelengebruik. Wat vonden de deelnemers vooral interessant? En wat hoopten ze te kunnen halen én brengen?

‘De oncologie leunt sterk op genetica en biomarkers. Dat doen we in de cardiovasculaire geneeskunde nog veel minder. Andersom zijn wij juist weer een stapje verder in het werken met grote cohorten en met slim rekenen. Zo zie je dat je veel van elkaar kunt leren. Ik denk dat we veel meer de verbinding moeten gaan leggen tussen de grote deelgebieden binnen de geneeskunde. Dan kun je dat wat je op de ene plek leert ook elders gaan inzetten.’
Frank Visseren, hoogleraar interne geneeskunde, UMC Utrecht

Frank Visseren, hoogleraar interne geneeskunde, UMC Utrecht
Emile Donkers, apotheker, Koek, Schaeffer en van Tijen, Amsterdam

‘Ik was vooral geïnteresseerd in de sessie over onderzoek naar NOACs, de nieuwste middelen op het gebied van antistolling. Ook persoonlijk trouwens, want zowel mijn eigen moeder als mijn schoonmoeder tobt met deze problematiek. Binnenkort heb ik een FTO over het thema. Dus het is mooi dat ik me hier al over de nieuwste ontwikkelingen kan laten bijpraten.’
Emile Donkers, apotheker, Koek, Schaeffer en van Tijen, Amsterdam

‘Ik vind het een interessant congres. Als je in de opleiding zit, is het ook belangrijk wat meer te horen over zaken als implementatie en kwaliteitsindicatoren. Ik doe nu een stage klinische farmacologie. Dan kom je allerlei veelbelovende ontwikkelingen tegen rond therapie op maat. Heel mooi om dat hier op één plek bij elkaar te hebben. En om mensen te ontmoeten die daarmee dagelijks bezig zijn.’
Suzanne Schol, AIOS interne geneeskunde, Erasmus MC

Suzanne Schol, AIOS interne geneeskunde, Erasmus MC
Barbara Verhaar, schrijver van e-learnings en masterstudent Vitality and Ageing

‘Voor goed gebruik van geneesmiddelen is voorlichting onmisbaar. Zeker als mensen ouder worden en hun medicijngebruik nogal eens erg ingewikkeld wordt. Zij hebben goede begeleiding nodig. Ik schrijf e-learnings voor apothekersassistenten. Daarmee kun je een grotere groep professionals bijscholen over hun voorlichtende functie. Op een congres als dit had ik wel wat meer willen horen over de rol van de professional in de begeleiding van de patiënt.’
Barbara Verhaar, schrijver van e-learnings en masterstudent Vitality and Ageing

‘Voor mij is geneesmiddelengebruik door ouderen een belangrijk onderwerp. Tegenwoordig doen we twee keer per jaar patiëntenreviews in verzorgingshuizen. Dat kost je toch wel gauw een uur per patiënt. Er worden nu allerlei tools ontwikkeld om zo’n review wat makkelijker te maken. Met het oog op de verdere vergrijzing lijkt me dat een goede zaak.’
Esther Oei, apotheker, apotheek Schmidt, Bussum

Esther Oei, apotheker, apotheek Schmidt, Bussum

Impressie van de dag

Deelnemers melden zich bij de inschrijfbalie
hostess van de inschrijfbalie helpt een van de deelnemers
deelnemers drinken voorafgaand aan start van congres kofiie of thee
de zaal met aanwezige deelnemers van bovenaf gefotografeerd
de deelnemers zoeken hun plaatsen op in de Grote Zaal van de Beurs van Berlage
close up van 4 mannen die geïnteresseerd zitten te luisteren naar spreker
close up van 4 vrouwen met op achtergrond rest van zaal luisterend naar spreker
overzichtsfoto van zaal tijdens spreker Michel Rudolphie
dagvoorzitter Inge Diepman interviewt spreker Michel Rudolphie
dagvoorzitter Inge Diepman stelt vraag aan Diana Monissen van Achmea naar aanleiding van presentatie Michel Rudolphie
dagvoorzitter Inge Diepman interviewt aantal leden patiëntenpanel NPCF
close up van vrouw tijdens een van de subsessies
vrouw maakt aantekeningen tijdens subsessie
fruitschaal tijdens lunch
deelnemers pakken broodjes van lunchbuffet
zaal overzicht van boven tijdens spreker middag
overzichtsfoto van zaal en podium waarop discussie plaatsvindt tijdens presentatie spreker
close up drie luisterende vrouwen 1 richting opkijkend
discussie door groepje bij statafel tijdens subsessie
gesprek tussen vrouw op rug gezien en man tijdens netwerkborrel
gesprek tussen drie vrouwen bij statafel tijdens netwerkborrel
gesprek tussen man en vrouw tijdens netwerkborrel
overzichtsfoto van de zaal tijdens de netwerkborrel