Het RIVM, ZonMw en het ministerie van VWS organiseerden op 14 november 2018 een conferentie over antimicrobiële resistentie. Onderzoekers, beleidsmakers en praktijkprofessionals praatten over het thema ‘Van onderzoek naar praktijk en beleid. Wat kan jij er mee?!’.

Bruno Bruins, minister voor Medische Zorg en Sport, opende de conferentie met een videoboodschap. Hij en de sprekers benadrukten dat antimicrobiële resistentie een urgent, groeiend en wereldwijd probleem is. Hij is blij dat professionals dit multidisciplinair aanpakken vanuit onderzoek, beleid en praktijk. Professionals uit heel Nederland kwamen daarom deze middag bij elkaar. Gezien de opkomst en de reacties was het een geslaagde conferentie. Het gaf professionals uit onderzoek, beleid en praktijk handvatten om binnen en buiten hun organisaties de beheersing van antimicrobiële resistentie te continueren en hierover met elkaar van gedachten te wisselen.

Jaap van Dissel

Jaap van Dissel

Jaap van Dissel, directeur Centrum Infectieziektenbestrijding - RIVM, ging in op de historie van antibiotica, het gebruik, de verschillen per land en de impact van antibioticaresistentie (ABR) in Europa.

Al lang is bekend dat als de hygiëne  tekort schiet, resistente bacteriën zich kunnen verspreiden. De gedragscomponent is hierbij dus heel belangrijk. Cultuur en gedrag hebben daarmee invloed op de mate waarin ABR voorkomt. Dat is namelijk verschillend per land. Ook het gebruik van antibiotica verschilt per land. In Nederland is dat laag, maar Frankrijk scoort daarop bijvoorbeeld hoog.

Ook al is het gebruik in Nederland relatief laag, toch kan het nog beter gedaan worden.

Regionaal gezien is er nog sprake van verschillen, daarom kan ook in Nederland nog winst behaald worden. Naast verschillen in gebruik, zijn er in Europa grote verschillen als het gaat om resistente bacteriën.

De impact van ABR binnen Europa kan uitgedrukt worden in Daly’s. Onderzoek toonde onlangs aan dat van 16 bacteriën er nauwkeurig uitgerekend kon worden wat de sterfte is door antibioticaresistentie.

De impact van ABR is in mediterrane landen groter dan in Scandinavië en Nederland. Vooral jonge kinderen en ouderen worden getroffen door sterfte door ABR.

Jaap concludeerde dat we blijkbaar precies weten waar ABR door komt en wat we zouden moeten doen, maar dat we dat niet doen. Men moet aandacht hebben voor vermijdbare infecties, onjuist gebruik van antibiotica, onvoldoende hygiëne.

Belangrijk daarbij is meer bewustzijn, kennis, surveillance, one health aanpak, innovatie en hoog op de onderzoek agenda.

  • Presentatie is niet beschikbaar voor openbaar gebruik
Mariken van der Lubben

Mariken van der Lubben

Mariken van der Lubben, programmamanager ABR – RIVM, vertelde over de nationale aanpak omtrent ABR. Professionals hebben al jarenlang aandacht voor ABR. In de afgelopen jaren nam de aandacht voor ABR toe. Daarom zijn er Kamerbrieven gekomen.

Bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica, komen niet alleen voor bij mensen, maar ook bij dieren, in ons voedsel en het milieu. Zij kunnen zich van hieruit verspreiden naar mensen.

Daarom is het belangrijk dat bij de bestrijding van ABR ook gekeken wordt naar de sectoren veehouderij, voedsel en milieu. Dit wordt de ‘One Health’ benadering genoemd. Op ieder terrein worden specifieke maatregelen genomen.

Het programma ABR focust op de gezondheidszorg. Waarbij specifieke aandacht is voor surveillance (waar zit de bacterie) en zorgnetwerken. Er zijn 10 goed functionerende netwerken ingericht om aan verspreiding van ABR te werken.

Binnen het programma staan 3 thema’s centraal: Hoe vaak komende resistente bacteriën voor in cure, care en open populatie? Worden antibiotica juist gebruikt? Hoe vaak komen infecties voor? Op basis van antwoorden op deze vragen, kunnen maatregelen ingevoerd worden. Concreet betekent dit:

  • Internationale agendering
  • Aanpak ABR in verpleeghuizen
  • Communicatie tussen labs
  • Juist gebruik en zorginfecties; hoe krijgen de juiste informatie uit de systemen
  • ZonMw programma

Innovatie blijft noodzakelijk als het gaat om de aanpak tegen ABR.

Marcel de Kort en Jeroen Geurts

Jeroen Geurts

Jeroen Geurts, voorzitter ZonMw,  ging in op de evaluatie van het programma Priority Medicines Antimicrobiële Resistentie (PM AMR) welke ZonMw heeft laten uitvoeren.

ZonMw wordt daarin geprezen om haar professionele houding en gefeliciteerd met de goede resultaten van dit programma. Er staan een paar mooie aanbevelingen in het evaluatierapport waar ZonMw graag mee verder gaat.

Nederland is in de wereld toonaangevend en vooruitstrevend in onderzoek naar antibioticaresistentie. ZonMw heeft de ambitie om deze brede kennisbasis verder uit te breiden, zowel nationaal als internationaal.

Jeroen Geurts overhandigde aansluitend het evaluatierapport aan Marcel de Kort van het ministerie van VWS.

Marlies Hulscher

Marlies Hulscher

Marlies Hulscher, implementatiewetenschapper van het Radboudumc (IQ healthcare) en programmacommissielid PM AMR en ABR, ging in op de gedragswetenschappelijke aspecten van antibioticagebruik. Implementatiewetenschappers bestuderen methoden die stimuleren dat stakeholders -zoals professionals, patiënten en beleidsmakers- wetenschappelijk bewijs toepassen in de dagelijkse praktijk.

De theoretische route voor kennisontwikkeling en -verspreiding is als volgt: fundamenteel wetenschappelijk onderzoek levert nieuwe inzichten op die, nadat ze een toepassing hebben gevonden, worden getest in klinische trials. Uit dit klinisch onderzoek komt wetenschappelijk bewijs voor bepaalde ‘goede zorg’ voort.

Deze goede zorg dient vervolgens te worden toegepast in de dagelijkse patiëntenzorg.

In de laatste stap gaat er echter iets mis: uit onderzoek blijkt dat over het algemeen 50-70% van de patiënten de zorg ontvangt die ze moeten krijgen en dat ongeveer 20% van de patiënten zorg krijgt die ze niet nodig hebben. Soortgelijk laten studies naar antibioticagebruik zien dat in 50-70% van de patiënten antibiotica correct worden gebruikt, dat willen zeggen dat onder andere de empirische therapie in overeenstemming is met de richtlijn.

Tegelijkertijd is er een enorme variatie in juist antibioticagebruik tussen verschillende ziekenhuizen. De combinatie van, over het algemeen, suboptimaal antibioticagebruik met grote variatie tussen ziekenhuizen laat zien dat er sprake is van een implementatieprobleem: de verschillen tussen huizen zijn namelijk te groot om enkel door verschillen in patiëntenpopulaties verklaard te worden.

Implementatieonderzoek in de afgelopen 30 jaar laat zien dat er geen enkele methode bestaat die altijd werkt om wetenschappelijk bewijs in de dagelijkse zorgpraktijk in te voeren: ‘one size does not fit all’. Hulscher benadrukt dat een goede analyse nodig is om te begrijpen wat de huidige zorg beïnvloedt, om pas daarna na te denken over een passende verbeterstrategie.

Pieter van Boheemen

Pieter van Boheemen

Pieter van Boheemen, van het Rathenau instituut, ging in op de ontwikkelingen van open source science. Er zijn verschillende initiatieven om wetenschap beter aan te laten sluiten op maatschappelijke ontwikkelingen.

Sinds 1997 bestaat de Open source movement, een groepering die Open source science aanhangt. Deze club werkte aan een project op thuis insuline te maken. Deze werkwijze kenmerkt zich op interdisciplinaire (internationale) samenwerking via online platforms, op kennis delen, en gebruik makend van digitale technologie.

Pieter vertelde dat hij zelf gewerkt heeft aan de ontwikkeling van een nieuw antibioticum volgens principes van de open source science.

Pieter heeft beleidsstukken met betrekking tot open source science geanalyseerd. Uit deze analyse komen een aantal belangrijke argumenten naar voren waarom we meer open source science zouden moeten bedrijven: het is mensenrecht, het is de enige echte wetenschap (met reviews), het gaat om publiek geld, dus gegevens moeten toegankelijk zijn.

Belangrijk ander aspect is dat we vanaf 2020 open access publicaties willen, als onderzoek gefinancierd is uit publieke middelen.

Workshops

Workshop Negatieve resultaten: zijn die echt zo negatief?

Anje te Velde en Aletta Kraneveld van de Federa verzorgden de workshop “Negatieve resultaten: zijn die echt zo negatief?”.

Tijdens de workshop hebben de deelnemers drie vragen moeten beantwoorden: 1) Wat zijn negatieve resultaten, 2) Zijn alle negatieve resultaten belangrijk?, en 3) Wat kunnen we doen om negatieve resultaten bij een relevant publiek onder de aandacht te krijgen?.

Workshopdeelnemers
Workshopdeelnemers
Workshopdeelnemers
Workshopdeelnemers

Deze vragen hebben tot goede discussies geleid. Zo is de definitie van ‘negatieve resultaten’ niet altijd hetzelfde tussen groepjes. De een vindt saai of onbelangrijke data ‘negatief’, de ander zegt dat data negatief zijn als je er niet mee verder kunt, maar niet alle negatieve resultaten zijn even belangrijk.

Lees meer over de workshop
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Vooral als je kunt voorkomen dat negatieve resultaten herhaalt worden is het erg belangrijk om deze resultaten te delen. Als er daarentegen echt geen conclusies getrokken kunnen worden, dan zijn negatieve resultaten minder belangrijk. Bovendien maakt het gebrek aan nieuwswaarde het moeilijk om de negatieve resultaten te publiceren en komt risicovol onderzoek in gedrang. Negatieve resultaten zouden dus via andere kanalen moeten worden gecommuniceerd, bv. Research gate. Ook zou een andere framing helpen. ‘Relevante resultaten’ is een positievere manier om belangrijke ‘negatieve resultaten’ te beschrijven.  Naast deze voorgestelde oplossingen kwamen ook onderstaande opties naar voren:

  • Standaardiseer data; maak een scheiding tussen publiceren en data beschikbaar maken; maak een database met metadata
  • Minder / geen cofinanciering van private partijen omdat zij mogelijk invloed hebben op het niet publiceren van negatieve resultaten

Daarnaast werd door de deelnemers aangegeven dat het huidige onderzoekssysteem de verkeerde prikkels geeft, waardoor het publiceren van negatieve resultaten moeizaam is. Volgens de deelnemers moet het systeem op de schop. Onderzoek moet niet beloont worden op publicatie van artikelen, er is behoefte aan een andere vorm van beloning.

Workshop Gedragsverandering bij voorschrijven van antibiotica; dat is toch appeltje eitje! ..of toch niet?

De workshop over de gedragsverandering bij het voorschrijven van antibiotica werd verzorgd door Jeroen Schouten, Marlies Hulscher, Els Broens en Nonke Hopman; een samenwerking van het Radboudumc en de Universiteit Utrecht.

Bij deze drukbezochte  workshop gingen de groepen aan verschillende casussen werken. Alle casussen behandelden een bepaalde problematiek met betrekking tot het voorschrijfgedrag van antibiotica in de veterinaire sector. Per casus werden de belangrijkste barrières van het probleem geïdentificeerd en mogelijke interventies bedacht.

Workshopdeelnemers
Workshopdeelnemers
Workshopdeelnemers
Workshopdeelnemers

Als een van de belangrijkste barrières kwam het gebrek aan kennis over richtlijnen naar voren. Voorlichtingen of inwerktrajecten kunnen mogelijke interventies zijn om deze barrières te verhelpen.

Lees meer over de workshop
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Er is behoefte is aan sociale normen, een prescribing etiquette; ‘Dit is zoals wij het hier doen’. Een ander idee dat uit een van de casussen naar voren kwam is het gebruik van ondersteunende benchmarking om het gedrag bij de doelgroep te veranderen.

Verder werd als advies van de workshopleiders meegegeven dat mensen vaak rolmodellen hebben en dat een rolmodel voor het veranderen van gedrag ingezet kan worden. Hiermee kan de sociale invloed die eerst tegen iemand werkte omgezet worden. Hier liggen mooie uitdagingen.

Workshop Richting geven aan internationaal onderzoek; A joint effort

De door ZonMw georganiseerde workshop werd gegeven door Linda van Gaalen en Yara ten Pas. In deze workshop konden deelnemers hun input leveren voor de onderzoeksagenda van het Joint Programming Initiative on Antimicrobial Resistance (JIAMR), consortium van inmiddels 27 landen dat gezamenlijk optreedt in de strijd tegen AMR.

Deze internationale strategische onderzoeksagenda kent zes prioriteiten: Transmission, Diagnostics, Surveillance, Therapeutics, Interventions en Environment. De deelnemers konden aangeven met welke twee specifieke acties per thema bepaalde onderzoeksdoelen zouden kunnen worden behaald.

Workshopdeelnemers
Workshopdeelnemers
Workshopdeelnemers
Workshopdeelnemers

De opdracht zorgde voor levendige discussies, en soms waren de deelnemers het ook al snel met elkaar eens over wat in hun ogen het belangrijkste was om te doen. Zo was men het er over eens dat voor prioriteit Therapeutics de zoektocht naar nieuwe antibiotica prioriteit heeft. Vooral omdat de industrie geen interesse lijkt te hebben om nieuwe antibiotica te ontwikkelen.

Lees meer over de workshop
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Verder werd aangegeven dat prioriteit Tranmission met name internationale aangepakt moest worden. In Nederland gaat het niet slecht met betrekking tot AMR, maar het blijkt dat de buurlanden zich anders inzetten voor bijvoorbeeld goed antibiotica gebruik. Dit sloot ook aan bij het thema Interventions en Surveillance waarover gezegd werd dat de verschillen tussen landen aanwezig doch niet duidelijk en inzichtelijk zijn. Afstemming van de verschillende systemen werd daarom ook als een prioriteit gezien.

Om de verschillende doelen te bereiken zijn verschillende acties aangedragen. Subsidieoproepen voor onderzoek alleen zijn vaak niet voldoende. Workshops, netwerk calls en capacity building werden ook als waardevolle instrumenten genoemd om AMR onderzoek en implementatie van de resultaten goed in te richten. Over het algemeen werd uitgesproken dat er veel behoefte is aan internationale samenwerkingen als het gaat om onderzoek. Deelnemers vonden het belangrijk dat Nederland als koploper op het gebied van antibioticaresistentie ook een voorloper is en blijft in het delen van opgedane kennis. Nederland moet de positie als gidsland uitdragen en uitbouwen.

Deze conclusies zijn in lijn met de aanbevelingen uit het evaluatierapport over het programma Priority Medicines Antimicrobiële Resistentie (PM AMR).

Workshop Juist Gebruik van antibiotica, hoe meten we dat?

Cees Hertogh en Jan Prins vertelden over de behaalde resultaten in de pilot en de vervolgstappen in de workshop Juist Gebruik van antibiotica, hoe meten we dat?

We verzamelen al langer informatie over antibioticagebruik, in zowel de humane als de veterinaire sector (bijvoorbeeld in Nethmap/Maran). Dit geeft informatie over totaalgebruik. Wat daarbij ontbreekt is informatie over of die antibiotica correct voorgeschreven zijn.

Workshopdeelnemers
Workshopdeelnemers
Workshopdeelnemers
Workshopdeelnemers

De pilots Juist Gebruik van Antibiotica zijn opgezet om te onderzoeken of het mogelijk is voorschrijfdata gekoppeld aan indicatie uit zorginformatiesystemen te extraheren, en wat het dan oplevert voor behandelaars. De pilots waren een proof of concept studie in de 1e lijn, 2e lijn en langdurige zorg.

Lees meer over de workshop
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Nu in het vervolgproject langdurige zorg (en ook 1e lijn) wordt het proces geoptimaliseerd en gevalideerd met een tweede meting, en een draaiboek ontwikkeld. Hier ligt dus de nadruk op borging en implementatie. Uiteindelijk doel is om het landelijk uit te rollen. Voor de 2e lijn bevindt het project zich nog in de pilotfase: ophalen meer data en bepalen of het haalbaar is dit landelijk bij alle ziekenhuizen te gaan doen. Toegang tot data is hier een grote barrière.

Het ophalen van data uit ECD/EVS is mogelijk. In de langdurige zorg (en 1e lijn, maar niet onderwerp van deze workshop) gaat dit goed, mede dankzij gelijktijdige ontwikkeling van een ECD in de langdurige zorg. In de 2e lijn is ook gebleken dat met de juiste aanpassingen in het EPD het geen probleem is om de data op te halen. De complexiteit van ziekenhuis EPDs maakt wel dat je bij elk ziekenhuis tegen specifieke vragen aanloopt die door middel van validatie opgelost moeten worden voordat de data geschikt zijn voor benchmarken. Het ophalen van voorschrijfdata gekoppeld aan indicatie levert erg waardevolle informatie op voor stewardship en surveillance.

De link naar de plenaire sessie werd goed gelegd: we kunnen met dit model de behandelaars veel nuttige informatie bieden. Het is echter wel belangrijk dat er goed over nagedacht wordt hoe deze informatie effectief benut wordt. Enkel het sturen van een spiegelrapport gaat niet werken, de follow-up is belangrijk. Daarom wordt ook veel aandacht besteed aan de spiegelgesprekken om de informatie over te brengen.

Workshop Zorggerelateerde infecties: hoe meten we dat?

Jan Wille en Janneke Verberk gaan met de deelnemers in gesprek over Zorggerelateerde infecties: hoe meten we dat?

Surveillance van de prevalentie van zorginfecties gebeurt via PREZIES-modules. We willen graag deze systemen optimaliseren; ‘toekomstbestendig maken’. Een belangrijk aspect is het verlagen van de arbeidsintensiviteit door middel van automatisering en het objectiever maken van de resultaten door het toepassen van duidelijke definities voor het vaststellen van een infectie. Dit gebeurt momenteel al in een pilotstudie, waarvan we de resultaten medio volgend jaar krijgen. We hopen dat door deze aanpassingen meer ziekenhuizen aan de modules zullen deelnemen.

Workshopdeelnemers
Workshopdeelnemers
Workshopdeelnemers
Workshopdeelnemers

Tijdens de workshop ligt de focus op de module ‘lijnsepsis’. Dit incidentieonderzoek is gericht op alle korte termijn centraal veneuze katheters (CVK’s). Dit onderzoek was in eerste instantie alleen gericht op CVK’s in IC’s. In 2014 zijn ook alle perifeer ingebrachte CVK’s (PICC-lijnen) in de module meegenomen.

Lees meer over de workshop
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Omdat er gemiddeld een hogere incidentie van lijnsepsis buiten de IC’s dan op de IC’s geconstateerd wordt, moet sinds 2016 de module ziekenhuisbreed uitgevoerd worden.
Internationaal bestaan verschillende definities voor lijnsepsis. De binnen het PREZIES netwerk gebruikte definitie is de microbiologisch-bevestigde lijnsepsis, waarbij een positieve kweek van het bloed en van de tip wordt afgenomen. Er zijn echter nog 4 categorieën van lijnsepsis die gebaseerd zijn op klinische verschijnselen en symptomen van sepsis en op de afwezigheid van een andere bron voor sepsis. Deze 4 categorieën zijn in Nederland toegevoegd, omdat het kweekbeleid niet steeds conform de aanbevelingen wordt uitgevoerd. Het toepassen van de definities is soms lastig. Het is belangrijk dat de definitie voor lijnsepsis geaccepteerd is en dat het kweekbeleid hierop wordt aangepast.

Om de discussie richting te geven zijn de volgende vragen aan het publiek gesteld:

  1.  Moeten we de module voortzetten?
  2. Moeten er surveillance PICC-lijnen buiten het ziekenhuis worden opgezet? (aangezien veel patiënten met een PICC-lijn naar huis gaan)
  3. Wie is verantwoordelijk voor het starten van verbeteracties?

De belangrijkste conclusies waren

  • Er is sprake van subjectiviteit bij de gehanteerde definities, het is daarom van belang de definities eenduidig en objectiever te maken. De tweede stap is de kweekmethode hierop aanpassen, zodat dit ook op eenzelfde manier gebeurt.
  • Het is belangrijk om risicofactoren (ook buiten de IC) mee te nemen in de modules, om de oorzaken van de verschillen tussen ziekenhuizen meer inzichtelijk te maken om zo verbetering mogelijk te maken. Dit kost echter weer meer registratietijd.
  • Benchmark data / spiegelinformatie (gebaseerd op een representatief aantal ziekenhuizen) is nodig om iets nuttigs met de data te kunnen doen.
  • Automatisering, ondersteuning bij / vereenvoudiging van registratie en de mogelijkheid om de data via internet in te vullen zijn gewenst.
  • Om eenduidige data te krijgen is het belangrijk dat de observatoren dezelfde scholing krijgen en ge-audit worden.
  • Stop met de modules; ziekenhuizen moeten zelf in staat zijn om hun pijnpunten te bepalen en hierop in te spelen. Sommige infecties komen immers nooit in een module langs maar kunnen wel een probleem zijn voor ziekenhuizen waar zij dan zelf mee aan de slag gaan.
  • Omdat het niet duidelijk is of lijnsepsis wel een probleem is buiten de ziekenhuissetting is het belangrijk om eerst een verkenningsonderzoek uit te voeren.
  • Er is geen actuele landelijke richtlijn meer voor de preventie van lijnsepsis. Het doel van de modules (data verzamelen) moet duidelijk zijn. Het is echter wel belangrijk dat data op een gestandaardiseerde manier verkregen wordt om dit met andere organisaties of landen te kunnen vergelijken.
  • Verantwoordelijkheden van verschillende partijen op verschillende niveaus zijn niet duidelijk.

Workshop Eenheid van Taal op het Lab - Op naar realtime ABR surveillance?

Mariken van der Lubben en Robert Stegwee namen u mee in de wereld van monitoren en coderen van micro-organismen.

Mariken van der Lubben,programmamanager ABR / CIb-RIVM vertelt over monitoring van resistente micro-organismen en het proces van datavisie, naar datastromen, naar rapportages, naar actie. Robert Stegwee, strategisch informatiemanager ABR / CIb-RIVM vertelt over het coderen van micro-organismen via SNOMED CT en LOINC, met als resultaat op termijn:

  • Direct na vrijgeven kweekresultaat en antibiogram door MML ook beschikbaar in ISIS-AR (voor resistente bacteriën)
  • Typering van isolaten koppelbaar met ISIS-AR
    –    nu alleen voor MRSA en CPE  
  • Near real-time surveillance van BRMO
  • Data beschikbaar voor een variëteit aan rapportages en analyses
Workshopdeelnemers
Workshopdeelnemers
Workshopdeelnemers
Workshopdeelnemers

Het laatste deel gaan over welke data kunnen bijdragen aan verder onderzoek. Hierbij wordt een korte demo gegeven van dashboards voor near real-time surveillance, en worden de vragen gesteld: Wat is voor u bruikbaar? Waar wilt u het voor gebruiken?

Lees meer over de belangrijkste conlusies
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt
  • Afspraken over anonimiseren moeten goed gemaakt worden.
  • Interactie voor duiden data is erg belangrijk, anders krijg je pseudowetenschap.
  • Regionale samenwerking is erg belangrijk.
  • Resistentiedata verschilt per lab. Belangrijk voor vergelijking tussen verschillende labs.
  • Koppelen meerdere databronnen zou interessant zijn, rekening houdend met privacy.
  • Beperkingen van onderzoek zijn belangrijk om rekening mee te houden, anders krijg je interpretaties die niet valide zijn.
  • Real-life casus: CPE in bejaardenhuis, case manager is bang voor verspreiding, maar het niveau waarop de data nu geaggregeerd is laat nu niet zien of dat het geval is (en contact met huisartsen maakt het onmogelijk om hier op te handelen).
  • Hoe vaak komt het voor dat er meerdere isolaten van ten van  het voor dat er meerdere isolaten van en).ang voor verspreiding, maar het nivehter dat het één persoon is.
  • Maak onderscheid tussen regionale labs en zelfstandige labs. Maatwerk is belangrijk.
  • Data gebruiken voor / wat is bruikbaar?
  • Afspraken in regionaal netwerk moeten gemaakt worden, want een CPE-meldplicht vangt niet alle risico’s af.
  • Terugkoppeling van data naar regioten gemaaktone-size-fits-all.
  • Het was opmerkelijk dat de discussies meer gingen over thema en datakwaliteit dan over wat men nu echt wil van/met de rapportages.

Foto's van de bijeenkomst

Bekijk alle foto's van de bijeenkomst. Deze mag u downloaden.
Fotodocument bijeenkomst

Gerelateerd

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website