Tussen Weten en Doen stimuleert verpleegkundigen om praktisch onderzoek te doen waar collega’s in de praktijk veel aan hebben.

Om je werk als verpleegkundige of verzorgende goed te doen, heb je naast opleiding en ervaring ook kennis nodig. Kennis die bij de tijd is. Daarbij speelt wetenschappelijk onderzoek een belangrijke rol. Het kan mythes over goede zorg doorprikken. Het kan aangeven hoe je de zorg nog beter maakt. 

De 7 onderzoekslijnen van Tussen Weten en Doen zijn bedoeld om kennis en hulpmiddelen te ontwikkelen waar jij wat aan hebt. Wat zijn de onderzoeksresultaten? En hoe helpen deze jou om je te blijven ontwikkelen in je professioneel handelen? Je leest het in deze nieuwe artikelenreeks.

Inhoud

Jaap Trappenburg: ‘Wij moeten bedenken hoe we zorginnovaties naar de markt brengen’

Met één been diep in de wetenschap en het andere in de ict en businessmodellen. Zó wil Jaap Trappenburg laten profiteren van wetenschappelijk onderzoek naar hoe je kunt leren omgaan met een chronische aandoening. ‘Ik streef naar zoveel mogelijk gezondheidswinst bij COPD-patiënten.’

Gezondheidsonderzoeker Jaap Trappenburg windt er geen doekjes om. ‘Bevorderen van zelfmanagement van patiënten is een moeilijk proces en professionals zijn er nog niet altijd goed in geschoold.’ Jaren van onderzoek naar het bevorderen van zelfmanagement hebben volgens hem aangetoond dat inspanningen op dit gebied nog te weinig resultaten hebben.

Lees het hele interview met Jaap Trappenburg
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

‘In de Verenigde Staten en Canada bestaan intensieve programma’s voor zelfmanagement-ondersteuning die effectief blijken. In ons land gebruiken we die nog niet. Hier beperken we ons tot afgezwakte versies hiervan door over de reguliere begeleiding van chronisch zieken een sausje van zelfmanagement-ondersteuning te gieten.’
ZonMw financierde onderzoekslijn Tailored Self-managemenT & E-health, kortweg TASTE. Trappenburg zette deze onderzoekslijn op omdat zelfmanagement-ondersteuning wisselend werkt. ‘De effecten wisselen bijvoorbeeld per ziekte, per interventie en tussen verschillende populaties patiënten. Daarom wilden we binnen TASTE niet wéér een zelfmanagement-interventie ontwikkelen, maar terug naar de basis: wat werkt bij wie wel of niet?

Ingewikkelde wetenschappelijke exercities

Het TASTE-team bestond uit samenwerking tussen het Centrum voor Verplegingswetenschap (UMC Utrecht /Hogeschool Utrecht) en vooraanstaande onderzoekers uit binnen- en buitenland. De onderzoekers analyseerden bestaande onderzoeksdata uit vooral buitenlandse gerandomiseerde studies. De resultaten van deze in vakjargon genoemde ‘meta-analyses, haalden de toptijdschriften op hun werkterrein, aldus Trappenburg.

Soms werkt het echt niet

Toch was de boodschap enigszins teleurstellend: de effectiviteit van zelfmanagementondersteuning laat zich lastig meten. Zelfmanagementondersteuning is namelijk een containerbegrip: er valt van alles onder. En in bepaalde omstandigheden, zo weet Jaap Trappenburg inmiddels zeker, werkt het écht niet. ‘Zo zijn er mensen met hartfalen die neerslachtig of depressief. Als je dán begint met zelfmanagement-ondersteuning is de kans aanzienlijk dat het niet gaat werken. Sterker nog: de gezondheid van deze groep patiënten bleek beter als zij geen zelfmanagement-ondersteuning kregen. Niet of nog niet aanbieden is voor deze groep de betere keuze.’
De meta-analyses naar effecten van zelfmanagementondersteuning bij COPD gaven minder duidelijke resultaten.

Snel en oppervlakkig

Als volgende stap zochten de Utrechtse onderzoekers uit met welk succes PraktijkOndersteuners Huisartsenzorg (POH’s) in ons land momenteel zelfmanagement-ondersteuning verlenen. ‘Die ondersteuning is in het huidig zorgmodel helaas te kort, te divers en te oppervlakkig’, constateert onderzoeksleider Trappenburg uit de analyse van honderden consulten. ‘De POH of praktijkverpleegkundige heeft per COPD-patiënt tweemaal per jaar een halfuurtje. Daarin moet van alles gebeuren – er blijven slechts enkele minuten over voor zelfmanagementondersteuning. Terwijl je echt gedragsveranderingstechnieken moet inzetten, met de patiënt doelen moet stellen, die moet nastreven en de afstand tot het doel moet meten. Daarvoor is te weinig ruimte, te weinig tijd en zijn er helaas ook te weinig skills.’

Vooruitgang onder verpleegkundigen

TASTE ging uiteindelijk zelf ‘met de voeten in de klei’ - op zoek naar effectieve gedragsbevorderende interventies. Zo is in een vergelijkende studie onderzocht in hoeverre POH’s mensen met cardiovasculair risico méér kunnen aanzetten tot bewegen. De onderzochte interventie bestond uit een zorgvuldig ontwikkeld trainingsprogramma bestaande uit bewezen effectieve gedragsveranderingstechnieken in combinatie met het verstrekken van een stappenteller. ‘Er waren subtiele, niet erg uitgesproken effecten. Waarschijnlijk had dat deels te maken met de opzet: de controlegroep die geen trainingsprogramma volgde, kreeg tijdens het onderzoek ook tijdelijk een stappenteller en ging daardoor eveneens aanzienlijk meer bewegen. De verpleegkundigen in de studie boekten echter sterke vooruitgang in het vormen van gedrag bij patiënten. In dat opzicht sloot de studie niet aan bij hoe dat in de dagelijkse praktijk werkt: de praktijkondersteuners konden 3 consulten vrij dicht op elkaar plannen. Die mogelijkheid hebben ze normaal gesproken niet. Vandaar dat we ziektekostenverzekeraars oproepen verpleegkundigen in de eerste lijn meer invloed te geven op flexibele planning en op de inhoud van consulten.’

Longaanval-app

‘Een andere onderzoekslijn betrof patiënten met COPD. Ook daar hebben eerstelijns verpleegkundigen weinig contacttijd beschikbaar om mensen aan te zetten tot gedragsverandering. Wat als ze een deel van hun werk kunnen vervangen door digitale technologie, die los is van tijd en plaats? Met modules die je op maat inzet? We hebben in vier jaar tijd een app ontwikkeld die mensen ondersteunt bij het voorkomen of de-escaleren van een longaanval. De app is gebaseerd op bijna 10 jaar wetenschappelijk onderzoek naar gedrag en zelfmanagement bij een longaanval, hij past in het zorgprotocol en zorgpad en is in lijn met percepties en wensen van COPD-patiënten.’

Innovatie naar de markt brengen

Voor het ontwikkelen van de app wonnen de onderzoekers de Ureka Mega Challenge van het UMC Utrecht. ‘Dat was niet alleen te danken aan de kans dat de app werkt en dat COPD-patiënten die daadwerkelijk zullen gebruiken, maar ook aan ons businessplan. We willen dat de app, die wetenschappelijk goed is onderbouwd, gebruikt gaat worden en grote groepen patiënten bereikt. Pas dán kan hij impact hebben voor patiënten en verpleegkundigen ondersteunen in hun werk. Er ligt een prototype, er zijn partijen die de app verder willen ontwikkelen. Ik ben van mening dat om zo’n nieuwe technologie in de praktijk te brengen, te kunnen opschalen en dóórontwikkelen, er iemand moet zijn die de innovatie commercialiseert. Een universiteit kan geen eigenaar zijn van zo’n app. Ik vind het onze plicht als onderzoekers om de kans op implementatie te vergroten door, al bij de ontwikkeling, na te denken hoe de innovatie naar de markt is te brengen. Hiervoor moet je als wetenschapper over je eigen schaduw durven stappen. Een businessmodel misstaat echt niet in een proefschrift. Verplegingswetenschap kan op deze manier veel gaan bijdragen aan de toekomst van de zorg. Want E-health kan en gaat veel voor de zorg betekenen.’

Jaap Trappenburg is opgeleid als fysiotherapeut en bewegingswetenschapper. Hij promoveerde in 2011 bij het Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en Eerstelijns Geneeskunde (UMC Utrecht) op onderzoek naar zelfmanagement van COPD-patiënten bij het voorkómen en hanteren van longaanvallen. Trappenburg werkt in deeltijd als universitair hoofddocent bij het Julius Centrum van het UMC Utrecht bij het Centrum voor Verplegingswetenschap. Daar heeft hij de onderzoekslijn Zelfmanagement en e-health opgezet. Deels is hij als senior innovatie onderzoeker werkzaam bij The Healthcare Innovation Center (Thinc). Thinc onderzoekt in opdracht de potentiele impact van zorginnovaties in samenspraak met de praktijk.

Portret van Jaap Trappenburg

AnneLoes van Staa: ‘Zelfmanagement ligt op het snijvlak van ziekte en het dagelijks leven’

Een leerboek, een gesprekshulp, trainingen, een app en 10 handige tips voor de praktijk. Een Rotterdams onderzoeksprogramma levert tal van handreikingen op voor verpleegkundigen die patiënten betere zelfmanagementondersteuning willen bieden.

‘Er waren weinig concrete handreikingen over hoe je zelfmanagementondersteuning in de praktijk vormgeeft. Ook het beroepsonderwijs kampte met gebrek aan lesmateriaal ’, zegt dr. AnneLoes van Staa. Ze leidde het programma NUrsing Research into Self-management and Empowerment in Chronic Care (NURSE-CC) om daar verandering in te brengen.

Lees het hele interview met AnneLoes van Staa
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Een team van onderzoekers, verpleegkundigen en studenten van Hogeschool Rotterdam, het Erasmus MC en de Erasmus Universiteit Rotterdam wilde de kwaliteit van zelfmanagementondersteuning door verpleegkundigen verbeteren, zowel in de praktijk als in het onderwijs. Onder leiding van AnneLoes van Staa, lector Transities in Zorg aan Hogeschool Rotterdam, gingen zij voortvarend aan de slag. 

Gesprekken aangaan

Het projectteam onderzocht eerst hoe verpleegkundigen en patiënten met verschillende chronische aandoeningen denken over zelfmanagement en ondersteuning daarbij. Op basis daarvan ontwikkelden ze hulpmiddelen voor verpleegkundigen. Eén daarvan is het Zelfmanagement Web, een A4  met een pictogram van 14 levensdomeinen. Het is een gesprekshulpmiddel dat verpleegkundigen helpt bij het navragen hoe het met een patiënt gaat. De patiënt kiest uit het Zelfmanagement Web een onderwerp dat voor hem of haar belangrijk is en waarin hij of zij graag verbetering zou zien. De domeinen variëren van zorgen voor jezelf tot financiën, van leefstijl tot intieme relaties, en van bijwerkingen van medicijnen tot vrijetijdsbesteding. Tijdens het gesprek gebruikt de verpleegkundige technieken voor oplossingsgerichte gespreksvoering. ‘Het Zelfmanagement Web is getest in poliklinieken voor gebruik door verpleegkundig specialisten’, licht programmaleider Van Staa toe. ‘Hoe het in andere contexten werkt, weten we nog niet, maar van deze groep hebben we veel enthousiaste reacties gekregen. Ze voerden heel andere gesprekken met patiënten, hadden het gevoel echt iets te kunnen bijdragen aan het zelfmanagement en bouwden een betere relatie op met patiënten. In een besloten facebookgroep schreef een patiënt: “Eindelijk onderzoek waar we iets aan hebben!”’

Leerboek

Om het verpleegkundig onderwijs te voorzien van goede leerstof is binnen NURSE-CC het leerboek  ‘Verpleegkundige ondersteuning bij zelfmanagement en eigen regie’ geschreven. Het boek, gericht op hbo-v-studenten, laat zien voor welke uitdagingen mensen met een chronische ziekte staan. Het behandelt manieren en hulpmiddelen waarmee verpleegkundigen patiënten daarbij kunnen begeleiden. Het boek, uitgebracht in 2018, wordt al gebruikt op de hbo-v- en Masteropleiding aan Hogeschool Rotterdam, en onder meer Hogeschool Zeeland, Hogeschool Zuyd en Windesheim. Er zijn inmiddels zo’n 1.500 exemplaren verkocht. AnneLoes van Staa: ‘Bij het boek is een online leeromgeving gemaakt, waarop onder meer minicolleges en films te vinden zijn. Docenten kunnen de leeromgeving gebruiken om opdrachten te vinden, om studenten filmpjes te laten zien van echte consulten tussen verpleegkundigen en patiënten. Daarnaast gaan we met subsidie van ZonMw samen met Vilans een kennisbundel ontwikkelen. Dat is een digitaal product waar docenten snel bondige informatie vandaan kunnen halen, compleet met opdrachten.’ 

Reuma-app

NURSE-CC leverde 3 promoties op en meer dan 20 wetenschappelijke publicaties. Er zijn trainingen ontwikkeld en alle inzichten die het programma heeft opgeleverd zijn samengevat in 10 parktijkgerichte tips voor verpleegkundigen (zie kader). NURSE-CC inspireerde ook. Verpleegkundigen hebben zelf, samen met reumapatiënten, een app ontwikkeld, mogelijk gemaakt met een subsidie van een farmaceutisch bedrijf. De app ondersteunt reumapatiënten bij het omgaan met hun ziekte. ‘Verpleegkundigen hebben eerst met patiënten gekeken welke behoefte er is aan informatie over reuma en leefstijladviezen’, vertelt Van Staa. ‘Standaardfolders werken onvoldoende. Het bleek dat mensen naar gelang hun behoefte bepaalde informatie willen ophalen. Gebruik van zo’n app heeft geen aantoonbaar grootse effecten, zoals beter medicijngebruik of welbevinden. Wél vinden patiënten het prettig dat ze zo meer grip op de ziekte krijgen.’ 

Kwaliteitsimpulsen

NURSE-CC had óók als insteek om de kennisinfrastructuur voor verpleging en verzorging in de regio Rotterdam te versterken. ‘Die was van oudsher zwak. Er was geen vakgroep of hoogleraar verplegingswetenschap in Rotterdam. Dit programma was het eerste waarin het Erasmus MC, de universiteit en de hogeschool intens hebben samengewerkt.’ Inmiddels is er een hoogleraar Verplegingswetenschap aan het Erasmus MC aangesteld. ‘Waarom dat zo belangrijk is? Elke beroepsgroep heeft baat bij kwaliteitsimpulsen. Een intensieve samenwerking tussen wetenschap, onderwijs en praktijk draagt eraan bij dat nieuwe, betrouwbare kennis in de praktijk wordt gebruikt en niet op de plank blijft liggen.’ 

Verpleegkundige kan verschil maken

NURSE-CC heeft AnneLoes van Staa zelf met de neus op de feiten gedrukt hoe belangrijk het is als verpleegkundige naar de mens als geheel te kijken. ‘Ondersteuning van zelfmanagement vraagt een brede visie op de fysieke, sociale en emotionele uitdagingen waar mensen met chronische aandoeningen voor staan. Het maakt uiteindelijk niet zoveel uit of bij iemand een nier is getransplanteerd of dat er reuma is geconstateerd: elke chronische ziekte heeft invloed op je verhouding tot je omgeving, school, werk en relaties. Eigen onzekerheden en angsten spelen mee en dagelijks zijn aanpassingen nodig. Zelfmanagement ligt op het snijvlak van het dagelijks leven en de ziekte. En op dat snijvlak zit de verpleegkundige – die kan dáár verschil maken. De goede diagnose en de juiste behandeling zijn heel belangrijk, maar daarmee is iemand er meestal nog niet.’

Een vervolg

Positieve reactie van gebruikers van onder meer het Zelfmanagement Web en het leerboek motiveren AnneLoes van Staa en haar team om hun werk te vervolgen. Zo zullen ze onder meer gaan kijken hoe het Zelfmanagement Web werkt binnen de revalidatie- en thuiszorg. Ze gaan de kennisbundel, het digitaal product voor docenten, publiceren. En ze hopen hun producten door te ontwikkelen, zodat ondersteuning van zelfmanagement ook bij mbo-verpleegkundigen een kwaliteitsimpuls krijgt.

Meer informatie:

AnneLoes van Staa studeerde na haar opleiding tot kinderverpleegkundige geneeskunde en culturele antropologie aan de Universiteit van Amsterdam. Zij werkte enkele jaren voor onder meer Artsen Zonder Grenzen en tot 2016 als universitair docent bij de Erasmus Universiteit Rotterdam, Erasmus School of Health Policy & Management. Sinds 2003 is zij lector Transities in Zorg bij Kenniscentrum Zorginnovatie van Hogeschool Rotterdam. Haar onderzoeksprogramma richt zich op passende ondersteuning voor mensen met chronische aandoeningen. In 2012 promoveerde zij op onderzoek naar wat jongeren met chronische aandoeningen kunnen en willen in de zorg. Nu is zij o.a. programmaleider van het consortium Vitale Delta, waarin vier hogescholen samenwerken aan vitaliteit en gezondheid.

Portret van AnneLoes van Staa

Betsie van Gaal: 'Verpleegkundigen hebben belangrijke rol bij e-health'

Hoe kunnen e-healthprogramma's mensen ondersteunen bij het omgaan met hun chronische ziekte? En hoe kun jij als verpleegkundige daarbij helpen?

'Een chronische ziekte gaat nooit meer weg. Je moet ermee leren omgaan in het dagelijkse leven. In samenspraak met reumapatiënten, mensen met cardiovasculaire problemen en mensen met een psychiatrische aandoening hebben wij e-health programma's ontwikkeld. We hebben onderzocht hoe bruikbaar deze vorm van ondersteuning van zelfmanagement voor patiënten is.'

Lees het hele interview met Betsie van Gaal
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Samen met patiënten

Aan het woord is Betsie van Gaal, onderzoekscoördinator van de TWD-II-onderzoekslijn Self Made & Sound. Binnen Self Made & Sound zijn 3 e-healthprogramma’s ontwikkeld, in samenwerking met patiënten en zorgprofessionals. ‘Wij zijn gestart bij de behoefte aan ondersteuning die patiënten hebben.’ 

Hoe kom ik voor mezelf op? Hoe ga ik om met goedbedoelde adviezen uit mijn omgeving, die niet altijd behulpzaam zijn? Waarom lukt het me niet de medicatie in te nemen op voorgeschreven tijdstippen? Hoe reageer ik als ik problemen met mijn ziekte ervaar – kruip ik weg, of vraag ik om advies? Dat zijn voorbeelden van thema’s die patiënten naar voren brachten. 

Niet meekijken

Vervolgens zijn meerdere op de 3 ziektecategorieën toegesneden internetmodules ontwikkeld voor gebruik tijdens diverse fasen van de ziekten. ‘Er waren modules waarin mensen konden leren over hun ziekte, de aanbevolen leefregels en bijvoorbeeld hoe ze eerste signalen van problemen kunnen herkennen’, stipt Betsie van Gaal aan. ‘Voor de cardiovasculaire patiëntengroep stonden daarbij zaken als gezond eten en bewegen voorop. Bij reuma lag het accent veel meer op de balans tussen activiteit en rust in samenhang met ervaren pijn en vermoeidheid. De beveiligde websites waren voor de patiënten te bereiken via een persoonlijk account met inlogcode. Zij werkten er zelfstandig mee, zonder meekijkende artsen of verpleegkundigen.’

Eigen tijd en plek

De 3 studies waren verkenningen: kunnen patiënten met e-healthprogramma’s uit de voeten? Nu, de ervaringen liepen uiteen. ‘Er waren mensen voor wie ze geen nieuwe dingen brachten, omdat zij in staat zijn om op eigen kracht goede informatie te vinden. Een andere groep vond het juist prettig om ondersteuning vanuit een betrouwbare omgeving te krijgen. Voor een derde categorie bleek het gebruik lastig, vooral het inloggen in beveiligde omgeving.’

‘E-health zal niet voor iedereen geschikt zijn’, zegt Van Gaal. ‘Maar de toegevoegde waarde die het kan hebben is dat informatie, oefeningen en filmpjes digitaal bereikbaar zijn vanuit één platform. Mensen kunnen het op hun eigen tijd en plek gebruiken.’ 

Stimulerend zijn

Volgens Betsie van Gaal is er bij toepassing van e-health een belangrijke rol weggelegd voor verpleegkundigen. ‘Het is allereerst belangrijk hoe je zo’n programma introduceert: je kunt een stimulerende rol hebben, maar je kunt een patiënt ook het gevoel geven dat het toch niet zal lukken. Een e-healthprogramma kan ook structureren wat we bedoelen met “ondersteuning van zelfmanagement”: als bron van informatie over waar iemand tegen aan loopt en hoe je hem of haar als verpleegkundige daarbij kunt helpen. Vragen en doorvragen: hoe wilt u het, hoe gaat u dat aanpakken? De diepte ingaan. Wijzen op een module die ze weer eens kunnen doorlopen. Als de patiënt het prettig vindt samen kijken wat daar uitkomt. Er een volgende keer op het spreekuur weer op het onderwerp terugkomen.’

Voordelen

Voordelen voor de beroepsgroep zijn er zeker. ‘Je hoeft soms minder zaken diepgaand uit te leggen, omdat de informatie in een module staat. Een filmpje bijvoorbeeld van een ervaringsdeskundige zegt soms zoveel meer dan de uitleg van een verpleegkundige. En opdrachten voor patiënten, zoals bij houden hoe je eet of werkt aan je conditie, kan informatie naar boven brengen die je als verpleegkundige anders niet zou krijgen.’

Combineer e-health met coaching

E-health kan persoonlijke begeleiding of coaching niet vervangen, benadrukt Betsie van Gaal. Ze geeft daarom 5 tips:

  1. Combineer een e-health zelfmanagement ondersteuningsprogramma altijd met persoonlijk contact 
  2. Nodig patiënten uit om tijdens zulke contactmomenten zelf gespreksonderwerpen aan te dragen en laat dan zien welke oefeningen in het e-healthprogramma hen kunnen helpen. 
  3. Wees stimulerend, stel verdiepende vragen en wijs de weg in het e-healthprogramma.
  4. Onthoud dat begeleiding niet ‘zorgen voor’ is, neem het zelfmanagement niet over maar kijk hoe je de patiënt helpt om vooruit te komen. Kortom: wees een coach.
  5. Wees persoonsgericht: elke patiënt is uniek en per individu zullen aanpassingen in de begeleiding nodig zijn. 

De volgende stap

‘De 3 projecten van Self Made & Sound waren ambitieus en groot opgezet’, blikt Betsie van Gaal terug. ‘Het ontwikkelwerk heeft heel veel tijd gevergd en veel kennis opgeleverd. De modules zoals ze nu zijn, vragen om vernieuwing met de kennis die is opgedaan. Ze kunnen eenvoudiger. We weten nu dat bij mensen met een chronische aandoening een aantal thema’s kunnen spelen. Juist gebruik van medicatie, omgaan met een veranderende leefstijl, grenzen aangeven, communiceren met professionals en balans bewaren in het dagelijkse leven zijn voorbeelden van belangrijke onderwerpen. De programma’s willen we zó inrichten dat je nog beter herkent welke ondersteuning een individuele patiënt nodig heeft.’ De onderzoekscoördinator vertelt contact te hebben met een ziekenhuis dat een programma graag mét de onderzoekers voor de praktijk inzetbaar wil maken. ‘Zo’n traject vergt een speciale aanpak. Je moet dan ook gaan aantonen wat de gezondheidseffecten zijn, afgemeten aan de kosten.’

Onderzoeksnetwerk

Het project heeft het regionale onderzoeksnetwerk verstevigd. ‘Het gaf een buitengewoon positieve impuls om als Radboudumc, IQ healthcare, Saxion Hogeschool en GGZ-organisatie Dimence op dit terrein samen onderzoek te doen. Er zijn vele disciplines bij betrokken en er is interprofessioneel samengewerkt. Die goede relaties bouwen we verder uit. Maar ook internationaal breidde ons netwerk op het gebied van onderzoek naar zelfmanagement ondersteuning bij chronische ziekten uit, met een Zweedse en Canadese groep. We leren van elkaar zodat er meer uit onderzoek te halen is en we straks echt de stap kunnen zetten om e-health in de dagelijkse praktijk te gebruiken.’ 

Betsie van Gaal startte in 1983 de inservice opleiding verpleegkunde in Oss. Ze behaalde de kinderaantekening, volgde diverse vervolgopleidingen en werkte meer dan 20 jaar in de kinderkliniek van het Radboudumc.

In 2004 haalde ze haar master Zorgwetenschappen aan de Universiteit Maastricht. Ze promoveerde in 2011 en was tot voor kort senior-onderzoeker aan het Radboudumc.

In 2016 begon ze parttime als docent verpleegkunde aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN). Sinds februari 2018 is zij volledig werkzaam op de HAN als senior-onderzoeker en docent verpleegkunde.

Portret van Betsie van Gaal

Jan Hamers: 'De zorg veranderen kan erg uitdagend zijn.'

Er zijn niet méér handen aan het bed nodig om bewoners van verpleeghuizen beter te verzorgen. Volgens hoogleraar Ouderenzorg Jan Hamers is het wél zaak om ánders te durven werken.

Als er iemand is die kansen ziet om de zorg voor bewoners in verpleeghuizen met behulp van onderzoek te verbeteren, is het Jan Hamers. De afgelopen zes jaar was hij projectleider van de onderzoekslijn Nurses on the move. Daarin kwamen niet alleen verpleegkundigen en verzorgenden in beweging, maar ook bewoners. 

Lees het hele interview met Jan Hamers
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Zelf smeren

Een deelproject van “Nurses on the Move” was hoe je de zelfredzaamheid versterkt van bewoners in verpleeghuizen. Want zorgmedewerkers nemen alles al snel van hen over. Het gaat bijvoorbeeld vaak sneller om iemand per rolstoel van A naar B te brengen. Maar voor een bewoner is het juist belangrijk om zoveel mogelijk zelf te kunnen blijven doen.’

In 2 Limburgse zorgorganisaties bedachten verpleegkundigen en verzorgenden een andere manier om het ontbijt te organiseren. Dat werd niet langer ’s ochtends efficiënt klaargezet, maar er kwamen gedekte tafels. Bewoners kozen hun beleg en smeerden hun boterhammen zelf. Inderdaad: dat gaat niet zo snel. 'Op kleine symposia die we organiseerden voor andere zorgorganisaties, vertelden de verzorgenden trots over wat ze hadden gedaan. “Hoe dan?”, vroegen hun collega’s. “Wat als de fysiotherapeut om 9.00 uur langskomt, of de ouderengeneeskundige?” “Die is dan niet welkom”, was het antwoord. “Kan je dat zeggen?” Monden vielen open. Want ja, dat kan je zeggen.'

Op sleeptouw

Hoe kun je kennis uit bestaand onderzoek in de praktijk brengen? Die vraag vormde een tweede poot van de onderzoekslijn. 'Verpleegkundigen en verzorgenden hebben vaak het idee dat ze dingen goed doen, maar dat is niet altijd zo', legt hij uit. 'Een voorbeeld: bij het inschatten van pijn is het erg belangrijk om op de juiste signalen te letten. Uit onderzoek zijn andere signalen bekend dan die waar verpleegkundigen meestal op letten. Professionals moeten op de hoogte zijn van actuele inzichten, zodat ze – net als medisch specialisten – mensen op de beste manier behandelen. We hebben een methode ontwikkeld waarin HBO-verpleegkundigen hun teamgenoten op sleeptouw nemen. Samen inventariseren ze welke  problemen er zijn in de dagelijkse praktijk van de zorg, ze verzamelen meningen en feiten daarover en werken uit hoe het beter kan. We hebben daarvoor een hulpmiddelenbox ontwikkeld, die bijvoorbeeld teamleiders helpen om aan de slag te gaan.’

Hot item

En dan was er de hamvraag welke relatie er bestaat tussen méér handen aan het bed en de kwaliteit van zorg in verpleeghuizen? Een hot item, zeker sinds het manifest van Hugo Borst en Karin Gaemers en het advies van het Nederlands Zorginstituut dat er veel meer geld naar de verpleeghuiszorg moet. 'Al in 2010-2011, toen we de onderzoekslijn bedacht hebben, zagen wij dat het nodig was de kwaliteit te verbeteren', zegt Jan Hamers. 'Maar hoe doe je dat? We hebben onder andere 180 studies wereldwijd vergeleken en op basis daarvan zelf nieuwe studies uitgevoerd: méér personeel blijkt niet de oplossing, is onze conclusie. Er is nu extra geld voor de verpleeghuiszorg en de vraag is hoe je daarmee de kwaliteit wél verhoogt. Wij denken dat daarvoor een mix aan maatregelen nodig is.'

Warmere overgang

Jan Hamers denkt dat je gebruik van technologie moet combineren met het anders inzetten van vrijwilligers, samenwerking met mantelzorgers en het aanstellen van meer hoger opgeleide medewerkers in de verpleeghuiszorg. 'In de thuiszorg zetten we terecht fors in op HBO-opgeleide wijkverpleegkundigen. Sommige ouderen hebben echter zo’n complexe zorg nodig dat ze naar een verpleeghuis moeten; daar vinden we zorgverlening door verzorgenden van niveau 2 en 3 voldoende, terwijl de bewoners veel zwaardere zorg behoeven. In aanvulling op het belangrijke werk van verzorgenden, hebben hoger opgeleide medewerkers andere competenties, die óók nodig zijn. Als je bijvoorbeeld HBO-verpleegkundigen invliegt, of wijkverpleegkundigen, dan kun je gerichter aandacht gaan besteden aan de sociale kaart, diagnostiek, contact met de familie, coachen van collega’s en het aanzwengelen van projecten om de zorg te verbeteren. Ik kan me ook duo-functies voorstellen van verpleegkundigen die zowel in verpleeghuizen als in de wijk werken. Het zijn voorbeelden van bouwstenen die een warmere overgang van thuis naar zorginstelling kunnen bewerkstelligen. En verder hebben we concrete aanbevelingen gedaan over hoe je technologie kunt gebruiken om de zelfredzaamheid van mensen zo lang mogelijk te behouden.'

Met een onlangs net toegekende Horizon 2020 grant gaat Jan Hamers dergelijke mogelijkheden in internationaal verband onderzoeken.

Wiel uitvinden

Jan Hamers hamert op het belang van praktijkgericht onderzoek, om onterechte denkbeelden onderuit te halen. 'In de Academische Werkplaats Ouderenzorg Zuid-Limburg werken we structureel samen met zorginstellingen, mbo, hogeschool en universiteit om de zorg te verbeteren. Daar zijn allerlei medewerkers bij betrokken. We merken in die projecten vaak dat het heel uitdagend kan zijn om de zorg te veranderen. Succesvolle projecten voeren we in binnen de verpleeghuizen waar ze gestart zijn. De kunst is vervolgens om het te verbreden binnen en buiten de regio. Om te zorgen dat het wiel niet steeds opnieuw wordt uitgevonden, vind ik het belangrijk dat beroepsverenigingen kennis verspreiden onder hun achterban. Maar de uiteindelijke verandering ligt bij bestuurders en professionals: het moet op de werkvloer gebeuren!'

Portret van Jan Hamers

Jan Hamers is hoogleraar Ouderenzorg aan de Universiteit Maastricht. Na zijn opleiding tot HBO-verpleegkundige studeerde hij Gezondheidswetenschappen in Maastricht. In 1995 promoveerde hij op onderzoek naar postoperatieve pijn bij kinderen. Jan Hamers is oprichter en voorzitter van de Academische Werkplaats Ouderenzorg Zuid-Limburg, waarin vele Limburgse onderwijs- en zorginstellingen samenwerken. Tevens is hij onder meer visiting professor aan de University of Leeds (UK), voorzitter van het Wetenschappelijk College Verplegingswetenschap i.o. en voorzitter van de Raad van Toezicht van Meander Groep Zuid-Limburg.

Blijf op de hoogte over dit onderwerp en ontvang de volgende interviews in uw mailbox. Schrijf u in voor de nieuwsbrief 'Kwaliteit van zorg'. Deze nieuwsbrief gaat o.a. over ontwikkelingen binnen Verpleging en Verzorging. 

Colofon

ZonMw stimuleert gezondheidsonderzoek en zorginnovatie. ZonMw financiert gezondheidsonderzoek en stimuleert het gebruik van de ontwikkelde kennis - om daarmee de zorg en gezondheid te verbeteren. ZonMw heeft als hoofdopdrachtgevers het ministerie van VWS en NWO.

Colofon Redactie Angela Rijnen, Eindredactie Dineke Abels, Dorien Plaat - Poirters, Video HaafVisual

Lees meer over Tussen Weten en Doen

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website