Sporten is goed, sporten is leuk en sporten is gezond. Dus worden we allemaal gestimuleerd om lekker veel te bewegen. Helaas gaat dat lang niet altíjd goed. Jaarlijks lopen sporters naar schatting zo’n 4,5 miljoen blessures op. En dat kan hele vervelende consequenties hebben. Niet alleen doen blessures pijn, maken ze het dagelijks leven soms verdraaid lastig en zorgen ze ervoor dat je – hopelijk tijdelijk – niet kunt sporten.

Sportblessures kosten de samenleving bovendien geld. Niet alleen voor de benodigde zorg, maar ook door verzuim van werk en opleiding. Reden genoeg om veel aandacht te besteden aan blessurepreventie. Onderzoek laat zien dat veel blessures te voorkomen zijn door bijvoorbeeld een goede warming-up, door een gepaste opbouw van het trainingsprogramma,  door veilig materiaal en de juiste technieken te gebruiken. 

In 2016 startte bij ZonMw het programma Sportblessurepreventie. Uitgangspunt daarbij is dat gedegen kennis de basis vormt van blessurepreventie. Die kennis moet dan wel nauw aansluiten bij de praktijk van de sporters om te zorgen dat er ook daadwerkelijk iets met die blessurepreventie gedaan wordt. 

In het voorjaar van 2016 startten de eerste 7 projecten, eind 2018 kwamen er daar nog eens 6 bij.
In deze brochure kun je lezen hoe het op dit moment staat met de 6 projecten uit die tweede ronde. Waar zijn ze mee bezig en hoe loopt dat? Maar bovenal: wat kunnen we van ze verwachten? Hoe gaan zij ervoor zorgen dat er een eind komt aan het jaarlijks almaar toenemende percentage sporters met een blessure?

Projectenoverzicht

Vechtende judoka's

Opwarmen op de judomat

Nieuw preventieprogramma moet aantal blessures verminderen

Harde cijfers over het aantal blessures in de Nederlandse judosport zijn er niet. Wel weten we dat in nationaal trainingscentrum Papendal de afgelopen 2,5 jaar judoka’s 770 maal een beroep deden op de medische staf. Daarbij kan het gaan om een simpele spierblessure die binnen een paar dagen over is, maar ook hernia’s en afgescheurde kruisbanden komen regelmatig voor.

Lees meer over blessurepreventie op de judomat
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Volgens arts-onderzoeker Amber von Gerhardt van het Amsterdam UMC zou dit betekenen dat een judoka gemiddeld 5 blessures per jaar oploopt. ‘Dat is echt heel veel. Vooral enkels, knieën en schouders zijn bij judo extra gevoelig voor letsels.’ Reden genoeg om een preventieprogramma te ontwikkelen en uit te testen.

Zelf maken

In eerste instantie wilden Von Gerhardt en haar collega’s een warming-upprogramma uit het buitenland gebruiken voor haar onderzoek, maar dat bleek toch niet zo geschikt. ‘Door literatuuronderzoek en de mening van judodeskundigen twijfelden we aan de effectiviteit van dit programma en we hadden vraagtekens bij de toepasbaarheid ervan voor judo. Dus zijn we, op basis van kennis die bij andere sporten is opgedaan, zelf aan de slag gegaan met het ontwikkelen van een preventieprogramma voor judoka.’

Integreren in training

Bij blessurepreventie is een goede warming-up van minimaal 10-15 minuten essentieel. Maar om te zorgen dat zo’n warming-up ook echt gedaan wordt, is het belangrijk dat de oefeningen aansluiten bij de sport. Een warming-up maakt ideaal gezien deel uit van een standaard judotraining. Want als je allerlei spieroefeningen moet doen voordat ‘het echte werk’ begint, zal het animo ervoor snel afnemen. 

Uchi Mata

Von Gerhardt: ‘Daarom zijn we, met oefeningen waarvan we weten dat ze effectief zijn, de judomat opgegaan. Neem bijvoorbeeld de one leg deadlift, een oefening om hamstrings en onderrug te versterken. Wij hebben die oefening gecombineerd met de judoworp Uchi Mata. Daardoor versterk je je spieren – en dat is wezenlijk voor blessurepreventie – terwijl je eigenlijk gewoon een judoworp doet.’ 

Veel belangstelling

Najaar 2019 start Von Gerhardt haar onderzoek waaraan 400 judoka’s meedoen. De helft gaat een half jaar lang met het nieuwe programma aan de slag, de andere helft traint zoals voorheen. Zo kan gekeken worden of het aantal blessures in de ene groep minder is dan in de andere groep. Mocht het programma effectief zijn, dan volgt daarna de internationale implementatie. Volgens Von Gerhardt is er veel belangstelling onder judoka’s. ‘Dat komt denk ik omdat elke judoka weleens een blessure heeft meegemaakt. Niemand wil een paar maanden uit de running zijn.’

Man en kinderen volleyballen

Blessurepreventie jong aanleren

Preventieprogramma volleybal nu ook voor jongeren geschikt

Voor volleyballers bestaat een mooi trainingsprogramma dat, mits goed en consequent uitgevoerd, blessures met de helft kan verminderen. Echter, het programma is niet geschikt voor jongeren. Daar komt nu verandering in.

Lees meer over blessurepreventie bij jonge volleyballers
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

‘Je kunt zo’n trainingsprogramma voor volwassenen niet zomaar door jongeren uit laten voeren’, vertelt Evert Verhagen van het Amsterdam UMC. ‘Hun lichaam is nog in ontwikkeling dus je moet de oefeningen daar op aanpassen. Bovendien gebruikt het programma instructiefilmpjes waarin volwassenen het goede voorbeeld geven. Wil je aansluiten bij de leefwereld van jongeren, dan moeten die filmpjes opnieuw gemaakt worden. Met jongeren uiteraard.’

Aanpassen

Andere oefeningen, een andere opbouw van het trainingsprogramma en een andere presentatie; maar aan de basis van het programma hoeft niets te veranderen, volgens Verhagen. ‘We weten zo onderhand wel wat wel en niet werkt en hoe we blessures kunnen voorkomen. Bij de meeste van dit type programma’s kunnen we 40 tot 50% van de blessures voorkomen. Maar iedere keer moet je de oefeningen aanpassen aan de sport en de doelgroep.’ 

Inbedden in training

Belangrijk is dat het niet zomaar wat rek- en strekoefeningen zijn, maar dat de exercitie is ingebed in het trainen van specifieke sportvaardigheden. In het geval van volleybal bijvoorbeeld: slaan, serveren, blokken, smashen, landen. Warming-up, spierversterkende oefeningen en veilige technieken kunnen zó worden aangeleerd dat de spelers gewoon met volleybaltraining bezig zijn en ze niet het gevoel hebben alleen maar met preventieve oefeningen te doen. Het moet ook leuk blijven.

Meten

Zodra het programma voor de jonge doelgroep is aangepast, gaat het Amsterdam UMC het uittesten in twee regio’s, waarbij in elke regio 30 teams meedoen. Coaches uit één regio krijgen op bijscholingsavonden les in het gebruik van het programma en ze kunnen er op die avond zelf mee oefenen. De andere regio krijgt geen informatie over het nieuwe programma. Door in beide regio’s de blessures bij te houden, kunnen de resultaten gemeten worden.

Gewoon

Verhagen: ‘Het is belangrijk dat jongeren, en dan hebben we het over kinderen vanaf 10 tot 16 jaar, van begin af aan goede en veilige technieken leren. Bovendien willen we dat ze gewend raken aan het idee dat blessurepreventie een vast onderdeel van een training is. Dat het er gewoon bij hoort. Zodra ze een jaar of 16 zijn, stromen ze door naar het andere programma.’ Oftewel: jong geleerd, oud gedaan. 

groep hardlopers

In 10 stappen hardloopblessures voorkomen

Voorkom dat je in de ‘rode zone’ terechtkomt!

Hardlopers die wat langere afstanden lopen, zijn gewend aan pijn. Het hoort er vaak bij. Pijn is volgens sommigen zelfs fijn. Maar universitair hoofddocent huisartsgeneeskunde van het Erasmus MC Marienke van Middelkoop bestrijdt dat. ‘Pijn is een waarschuwing. Neem het serieus.’

Lees over de 10 stappen om hardloopblessures voorkomen
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Samen met haar collega’s ontwikkelt Van Middelkoop een preventieprogramma dat geoefende hardlopers (dat wil zeggen mensen die meer dan 10 km lopen) helpt blessures te voorkomen. Althans dat is de bedoeling. ‘We hadden een ander programma, maar dat bleek soms zelfs averechts te werken. Met die ervaringen in ons achterhoofd, ontwikkelen we nu het 10-stappenprogramma. Of dit beter werkt, moet ons onderzoek uitwijzen.’

Voetlanding

In het vorige programma kregen hardlopers heel veel online informatie. Maar volgens Van Middelkoop was dat te vrijblijvend. ‘Je kunt op een website wel vertellen hoe je het beste op je voet kunt landen, maar dat is niet genoeg. Wat wij zagen is dat mensen die op basis van onze adviezen probeerden die voetlanding te verbeteren, juist meer klachten aan het onderbeen kregen. Oftewel: dat moet je dus niet in je eentje gaan uitproberen, maar je moet daar hulp bij vragen van een trainer of fysiotherapeut. Daar houden we nu rekening mee.’

Groen-oranje-rood

In het nieuwe programma worden ook meer tools aangereikt, waar hardlopers zelf mee aan de slag kunnen. Bijvoorbeeld om hun loopschema bij te houden. Bouw je de afstanden te snel op, zeker als je ook pijn hebt, dan kleurt het schema al snel van groen naar oranje. ‘De kunst is dan wel om te voorkomen dat je in de rode zone terechtkomt, want dan moet je echt hulp gaan vragen en je schema direct aanpassen’, zegt Van Middelkoop.

Met rust laten

Een andere les uit het verleden is dat je lopers die nog nooit ergens last van hebben gehad, maar beter met rust kunt laten. Van Middelkoop: ‘Die doen het blijkbaar al goed. Of in ieder geval op een manier die bij hun lichaam past. Dus die laten wij lekker hun gang gaan. Wij richten ons vooral op mensen die wel af en toe blessures hebben. Daar valt de meeste winst te behalen.’

Onderzoek

De komende periode gaat Van Middelkoop 3500 lopers laten meedoen met een onderzoek. De werving vindt plaats onder mensen die zich inschrijven voor bijvoorbeeld de marathon van Rotterdam of de City-Pier-City-Loop in Den Haag. Zoals gebruikelijk bij dergelijk wetenschappelijk onderzoek krijgt de helft van de deelnemers het nieuwe programma aangeboden en de andere helft niet. Dan weten we daarna of het zinvol is het stappenplan aan alle lopers aan te gaan bieden.

benen man

‘Luister naar je lichaam’

Runfitcheck maakt hardlopers bewust van risico’s en geeft adviezen

Ooit een hardloper tegengekomen die nooit last heeft van een pijntje of een kwaaltje? Ze zullen er wel zijn, maar het wordt zoeken naar een naald in een hooiberg. Maar wanneer is een blessure risicovol en wat moet je dan doen? Runfitcheck geeft advies over blessurepreventie om daarmee letsels bij beginnende hardlopers te voorkomen.

Lees meer over de Runfitcheck bij hardlopers
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Runfitcheck is een interventie voor hardlopers die de sport minder dan een jaar beoefenen of niet meer lopen dan een uur. Onderzoeker Ellen Kemler van VeiligheidNL benadrukt dat het een laagdrempelige tool is die op een leuke manier kort en krachtig informatie geeft. Met filmpjes, oefeningen, tips en een persoonlijke test die checkt hoe ‘runfit’ jij bent.

Op telefoon

De afgelopen jaren is de tool uitgebreid getest en aangepast. ‘Eén van de vragen die we kregen is waarom het geen app is, maar een website’, vertelt Kemler. ‘Een website is echter laagdrempeliger. Je hoeft niet eerst een app te downloaden. En de site is zo ontworpen dat hij ook op een telefoon er goed uitziet.’ En dat klopt, op je mobieltje lijkt het alsof het een app is. De volgende stap is om te zorgen dat de website drukbezocht, en vooral veel gebruikt wordt.

Doorlopen of pauze inlassen

Kemler: ‘Er zijn 2 miljoen hardlopers in Nederland. Jaarlijks krijgen maar liefst 700.000 van hen een blessure. Er zijn veel websites met allerlei adviezen en hardloopschema’s, maar die zijn meestal vrij algemeen. De Runfitcheck kijkt gericht naar iemands belastbaarheid en naar wat hij of zij met de sport wil. Ons advies: luister goed naar je lichaam. En kijk dan naar onze tips, oefeningen en gerichte adviezen. Zo kun je proberen je belasting en belastbaarheid meer in evenwicht te brengen.’

75.000

De afgelopen maanden is samen met een groot aantal stakeholders gekeken naar hoe de website meer bekendheid kan krijgen. Waarom zouden andere websites, fysiotherapeuten of hardloopwinkels de Fitruncheck aanbevelen? Of juist niet? En hoe kan daarop worden ingespeeld? Op basis van de uitkomsten van die besprekingen is nu een implementatieplan in de maak. Projectleider Kemler: ‘Het zou fantastisch zijn als we volgend jaar 75.000 unieke bezoekers krijgen.’

Meten is weten

Bezoekers zijn mooi, mensen die de adviezen van de Runfitcheck opvolgen zijn beter, maar het einddoel is uiteraard minder hardlopers met blessures. Dit najaar voert VeiligheidNL een onderzoek uit onder 3 groepen van 600 ‘beginnende’ hardlopers. De eerste groep krijgt alleen te horen dat de Runfitcheck bestaat, de tweede groep wordt intensief benaderd met informatie over de Runfitcheck en de derde groep is de controlegroep; die krijgt geen informatie over de Runfitcheck. Althans niet via de onderzoekers. Welke groep heeft de minste blessures opgelopen? We zullen het over anderhalf jaar weten. Overigens wordt de blessurevragenlijst die de grondslag vormt voor dit onderzoek ook door collega Marienke van Middelkoop grotendeels gebruikt in haar onderzoek naar lange afstandlopers (zie artikel ‘In 10 stappen hardloopblessures voorkomen’). Op deze manier kunnen de resultaten van de twee onderzoeken straks ook nog met elkaar vergeleken worden. En wie weet welke nieuwe inzichten dat dan weer biedt…

Voetballer op de grond

Omdat de praktijk het anders wil

Blessureprogramma voor voetballers opnieuw onder de loep

Het idee was glashelder. Er ligt een internationaal erkend en effectief bevonden preventieprogramma tegen voetbalblessures. VeiligheidNL hoefde dit enkel te vertalen en voilà we zouden ook in Nederland onnodig letsel bij voetballers en voetbalsters kunnen voorkomen. Het liep echter anders

Lees meer over het blessureprogramma voor voetballers
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Volgens onderzoek zorgt het internationale 11+ programma voor 48% minder blessures bij de jeugd en 39% bij volwassenen. Met jaarlijks 850.000 voetbalblessures in Nederland –  waarvan er 35.000 leiden tot een spoedeisende behandeling in het ziekenhuis – is dit programma absoluut de moeite waard om ook in ons land in te voeren. ‘Dat was oorspronkelijk ook de opzet van ons project’, vertelt Karin Klein Wolt van VeiligheidNL.

Te lang

Tijdens besprekingen met trainers kwam er echter een kink in de kabel. Zij zouden dit programma in de praktijk niet gaan gebruiken. De reden? Het programma kost teveel tijd. In de praktijk blijkt het programma wel een minuut of 40 te duren. Dat is misschien haalbaar voor professionals, maar bij veel amateurteams zou dat betekenen dat daarmee de training al bijna voorbij is. Die duurt immers een uur of hooguit anderhalf uur. En de sporters komen tenslotte om te voetballen, niet om een warming-up te doen.

Aangepast

Dus moest Klein Wolt met haar team terug naar de ‘tekentafel’. In overleg met financier ZonMw werd besloten om het programma aan te passen door bijvoorbeeld in de basisoefeningen ook een bal te gebruiken en het totaal aan oefeningen meer uit te spreiden over verschillende trainingssessies. De basis van het programma blijft dezelfde, maar kost nu per training minder tijd. Consequentie is wel dat het aangepaste programma nog uitgetest moet worden. Werkt het in deze versie ook? Blijft het programma blessures voorkomen? Daar wordt de komende periode onderzoek naar gedaan onder een groot aantal voetbalclubs.

RINUS

Voor de implementatie liggen al wel duidelijke afspraken met de KNVB, partner in het project. Klein Wolt: ‘Ons programma wordt onderdeel van online assistent-trainer RINUS, een platform waarmee de KNVB trainers ondersteunt. De KNVB organiseert ook speciale avonden om RINUS onder de aandacht van trainers te brengen.’ Maar ook via bestuurders van clubs wordt het programma straks gepromoot. ‘Als een club achter ons programma gaat staan en preventie daarmee een onderdeel wordt van de clubvisie, dan zullen trainers eerder geneigd zijn het programma te gebruiken.’

goal en hockeymeisjes

Doelgroepgericht implementeren

Omdat elke sport en elke doelgroep anders is

Dit najaar start de implementatie van twee interventies: VolleyVeilig en Warming-up Hockey. Na gesprekken met bondsmedewerkers, trainers en andere actieve clubleden is er voor elke interventie een ander implementatieplan opgesteld.

Lees meer over doelgroepgericht implementeren
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Die gesprekken waren in eerste instantie bedoeld om te bepalen wie binnen welke sport belangrijk is voor de implementatie van de interventies, vertelt Ellen Kemler van VeilgheidNL. Daarna werd met vertegenwoordigers van die doelgroepen gekeken naar belemmeringen, kansen en oplossingen om de invoering van de interventies succesvol te kunnen laten verlopen.

Jeugdteams

Het gevolg van die besprekingen is dat bij hockeyers de focus ligt op de jeugdteams. Kemler: ‘Zowel de spelers als de trainers van die teams zijn jong, hebben minder vaste routines en ze staan open voor nieuwe ideeën. Bovendien: jong geleerd, is oud gedaan.’ Ook de technisch managers die binnen een club de jeugdtrainers opleiden worden betrokken bij de implementatie.

Kernboodschap

Elke doelgroep krijgt voor de promotie bij het hockeyprogramma een eigen kernboodschap. Voor bestuurders komt de nadruk te liggen op letselpreventie, voor trainers op ‘kunnen blijven presteren’ en voor ouders op de motorische ontwikkeling van hun kinderen. En voor de jonge hockeyers zelf? Kemler: ‘Om duidelijk te maken dat het programma dient als een goed begin van de training, hebben we onlangs besloten de pay off ‘Start sterk’ te gebruiken. Het wordt dus: Warming-up Hockey. Start sterk! 

18+

Bij VolleyVeilig ligt de nadruk bij de implementatie juist op de groep 18+, officieel de ‘senioren’. Wel wordt daarbij gekozen om in eerste instantie vooral die trainers te benaderen die nog weinig ervaring en opleiding hebben. ‘We hopen dat het zich vervolgens als een olievlek gaat verspreiden  en dat ook meer ervaren trainers belangstelling krijgen voor VolleyVeilig’, zegt Kemler. ‘Het mooie is dat Nevobo, de volleybalbond, werkt met een licentiesysteem voor trainers. Elke trainer die een themabijeenkomst van de bond volgt – bijvoorbeeld over het programma – krijgt daarvoor punten. Die punten zijn nodig om je trainerslicentie actief te houden.’

Evalueren

Naast de trainers zelf, krijgen ook de technische commissies van de volleybalverenigingen voorlichting over VolleyVeilig. Ook voor die groep organiseert de volleybond themabijeenkomsten. ‘Daarnaast maken we een promotiefilmpje, posters, flyers en een jaarkalender,’ legt projectleider Kemler uit. Doordat beide programma’s in hetzelfde project zitten, is er veel wisselwerking en gezamenlijkheid in de uitvoering. Na afloop van beide implementatietrajecten vindt een procesevaluatie plaats om weer leerpunten te distilleren voor de toekomst.

ZonMw stimuleert gezondheidsonderzoek en zorginnovatie. ZonMw financiert gezondheidsonderzoek en stimuleert het gebruik van de ontwikkelde kennis - om daarmee de zorg en gezondheid te verbeteren. ZonMw heeft als hoofdopdrachtgevers het ministerie van VWS en NWO.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: Onderkant website